Groepen geneesmiddelen

Daar een geneesmiddel in de regel een effect heeft op de werking van meer dan één orgaan of ziekteverschijnsel of aandoening, is het niet mogelijk gebleken een systematische indeling te geven. Men onderscheidt over het algemeen een aantal hoofdgroepen, waarbij de indeling hetzij gebaseerd is op de specifieke werking op een bepaald orgaan (bijvoorbeeld hartglycosiden verbeteren de werking van het hart), hetzij op een specifiek effect dat uitgeoefend wordt (bijvoorbeeld antibiotica, die bacteriën doden of in hun groei remmen).

Groepen geneesmiddelen

1. Hart en vaatstelsel

Hiertoe worden gerekend hartglycosiden, bijvoorbeeld digitalispreparaten, die een slechte hartwerking kunnen normaliseren, anti-aritmiepreparaten, zoals kinidine, die bepaalde onregelmatigheden in het hartritme bestrijden of voorkomen. Angina pectoris preparaten, zoals nitraten en nitrieten, worden toegepast voor de bestrijding van de pijn bij een aanval van beklemming op de borst (angina pectoris), die berust op zuurstoftekort van de hartspier. Vasodilatantia zijn middelen die bloedvaten verwijden waardoor een betere doorstroming van weefsels en organen wordt verkregen. Vasoconstrictoren aan de andere kant vernauwen de bloedvaten, hetgeen van grote betekenis is bij een verlaagde bloeddruk. Antihypertensiva verlagen juist de bloeddruk. Zowel bij de behandeling van verhoogde als verlaagde bloeddruk is normalisatie van de bloeddruk gewenst, ofschoon soms een dergelijk streven de kans op respectievelijk daling en stijging van de bloeddruk onaangename nevenwerkingen van de toegepaste preparaten in de hand kan werken.

Tot de geneesmiddelen die een invloed hebben op het hart en de bloedvaten behoren ook de antistollingsmiddelen (anticoagulantia). Het protrombine dat bij de stolling van bloed een grote rol speelt wordt in de lever met behulp van vitamine K, een product van de darmbacteriën, gemaakt. De overgang van protrombine naar trombine komt langs verscihillende wegen tot stand onder invloed van zogenaamde stollingsfactoren; dit zijn niet nader omschreven werkstoffen.

2. Bloed

Tekorten aan bloed kunnen worden aangevuld met transfusies van bloed of kunstbloed. Indien bepaalde elementen niet of te weinig aanwezig zijn kunnen deze als tablet of pil gegeven worden. Van belang bij het bestrijden van bloedarmoede zijn ijzeren vitaminepreparaten. Tot een andere categorie behoren de hemostatica, dit zijn preparaten die in staat zijn bloedingen van verschillende oorzaak tot staan te brengen of te voorkomen.

Tot de recente ontwikkelingen behoren de preparaten die in staat zijn het cholesterolgehalte van het bloed te verlagen. Slagaderverkalking (atherosclerose) wordt in verband gebracht met een hoog gehalte aan cholesterol en andere vetachtige stoffen in het bloed.

3. Zenuwstelsel

Hoewel het gebruik van geneesmiddelen die de werking van hersenen, ruggenmerg en zenuwen beïnvloeden reeds oud is, hebben de ontwikkeling en toepassing van de zgn. psychofarmaca (stoffen die een directe invloed op de psyche of de hersenen hebben) sinds het begin van de jaren zestig een enorme vlucht genomen.

Het is thans mogelijk om met deze stoffen opwindingstoestanden, slaapstoornissen, depressies en bepaalde denkstoornissen doeltreffend te bestrijden. Echter, aan het doel van het ideale kalmerende middel: geven van ontspanning en kalmte zonder sufheid en andere bijwerkingen, voldoen de geneesmiddelen (nog) niet.

Tot de groep van middelen die de functie van het zenuwstelsel kunnen beïnvloeden behoren ook de anti-epileptica. Dit zijn middelen die verschillende typen van verschijnselen van epilepsie (wegrakingen, toevallen, vallende ziekte) kunnen bestrijden of voorkomen.

4. Spijsverteringssysteem

Bij de vertering van voedingsmiddelen spelen vele organen (maag, darm, lever, galblaas, enz.), vele processen (afbraak en transport) en vele stoffen (enzymen, verteringssappen, gal) een rol. In deze groep zijn dan ook geneesmiddelen ondergebracht met een zeer verschillende werking en aangrijpingspunt.

Antacida worden toegediend met het doel het overtollige maagzuur te neutraliseren. De digestiva bestaan uit één of meer spijsverteringsenzymen en ze vinden toepassing bij verteringsstoornissen.

De laxantia werken mechanisch of fysisch doordat zij de darminhoud volumineus en vochtrijk houden, doordat zij de wand van de dunne of dikke darm prikkelen of doordat zij de ontlastingsreflex opwekken. De antidiarrhoeica zijn bestemd voor de behandeling van de verschijnselen van diarree. De antispasmodica heffen spierkrampen in het maag darm stelsel op en verminderen de beweeglijkheid van het maag darm kanaal.

5. Ademhalingswegen

Ontsteking van de slijmvliezen van de ademhalingswegen is een veelvuldig voorkomende aandoening die in veel gevallen hoesten als belangrijkste ziekteverschijnsel veroorzaakt. Antitussiva beïnvloeden op verschillende plaatsen de hoestreflexbaan:

– de centraal werkende door vermindering van de activiteit van de in de hersenstam gelegen ademhalings en hoest-centra (o.a. morfinepreparaten);

– de op de ademhalingswegen zelf aangrijpende middelen werken of direct op de zintuigcellen in de ademhalingswegen of indirect doordat zij het opgeven van slijm bevorderen en de spierkramp opheffen en daardoor de hoest prikkel doen afnemen.

De ontstekingen worden met antibiotica bestreden. De expectorantia bevorderen alleen het opgeven van slijm, terwijl de bronchodilatatoren een verwijding van de luchtpijpvertakkingen geven. Tot de laatste categorie behoren ook veel geneesmiddelen die een gunstig effect op astma aanvallen hebben.

6. Uitscheidingsapparaat

Tot de belangrijkste taken van de nieren, de urineleiders en de blaas behoort de uitscheiding van afvalstoffen, die als restproducten van de stofwisseling overblijven. Van grote betekenis is hierbij de urineproductie per tijdseenheid (diurese). Bij een ophoping van vocht en afvalstoffen in het lichaam moet de urineproductie bevorderd worden; hiertoe worden diuretica aangewend. Indien dooreen bepaalde stoornis (meestal in de hersenen of het hersenaanhangsel) de urineproductie juist te sterk is, dan kan deze worden afgeremd met antidiuretica.

Ontstekingsprocessen in het uitscheidingsapparaat (vooral bij vrouwen vaak voorkomend) kunnen effectief bestreden worden met antibiotica en sulfapreparaten.

7. Geslachtsorganen

De geslachtsklieren produceren hormonen die niet alleen op de geslachtsorganen en de secundaire geslachtskenmerken een invloed hebben maar ook op een aantal algemene lichaamsfuncties, zoals de groei. Ter bestrijding van een tekort of een teveel van die hormonen zijn preparaten beschikbaar.

Vrouwelijke geslachtshormonen (oestrogenen en progesteron) vinden ook toepassing bij de geboortenregeling als anticonceptiva (de ‘pil’).

Ontstekingsverschijnselen van het mannelijk of vrouwelijk geslachtsorgaan worden bestreden met sulfapreparaten of antibiotica. Niet alle seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA) kan men hiermee behandelen; gonorroe en syfilis reageren goed op antibiotica, maar voor AIDS is nog geen effectief geneesmiddel beschikbaar.

Daarnaast zijn er nog geneesmiddelen die specifiek een bepaalde functie van het vrouwelijk geslachtsapparaat beïnvloeden. De uterus tonica verhogen de spanning van de spierwand van de baarmoeder en de oxytocica vergroten de kracht en versnellen het optreden van de baarmoedercontracties (weeën) en vinden daarom toepassing bij het op gang brengen van de geboorte en de nageboorte. Indien de baarmoederspier echter een te grote of ongewenste activiteit vertoont dan worden uterus spasmolytica gegeven waardoor de spierspanning afneemt.

8. Huid

Aandoeningen van de huid betreffen in eerste instantie ontstekingen. In de groep van de dermatoiogica (geneesmiddelen voor de huid) nemen de antiphlogistica (ontstekingsremmende stoffen) dan ook een belangrijke plaats in. In de laatste jaren worden vooral corticosteroïden toegepast bij de bestrijding van die ontstekingsprocessen. Deze stoffen onderdrukken in de regel de ontstekingsreacties en de ziekteverschijnselen van verschillende, vaak met jeuk gepaard gaande huidaandoeningen, echter zonder de eraan ten grondslag liggende aandoening of ziekte te genezen. Ze geven dus wel verlichting maar laten het herstel aan het lichaam over. De voor uitwendig gebruik bestemde corticosteroïdpreparaten bevatten veelal tevens antibiotica voor de onderdrukking van de groei of het doden van micro-organismen.

Andere voor de huid bestemde geneesmiddelen worden gerekend tot de groep van de antiparasitica en antimyotica. Antiparasitica bevatten stoffen tegen schurftmijt, hoofd- en schaamluis, terwijl met antimyotica schimmelinfecties kunnen worden bestreden. Voor de behandeling van huidinfecties worden ook lokale antiseptica toegepast, die veelal antibiotica bevatten.

Antipruriginosa zijn stoffen die het verschijnsel jeuk bestrijden. Er zijn ook vele inwendige aandoeningen zoals lever- en nierziekten die met jeuk gepaard gaan.

Als bij de huidaandoening ontstekingsprocessen geen rol spelen, kunnen curativa en protectiva worden toegepast. Curativa zijn stoffen, die de heling van verwondingen en zweren bevorderen, terwijl protectiva dienen ter bescherming van de normale huid tegen uitwendige invloeden.

9. Keel, neus en oren

Ontstekingen van het slijmvlies of de diepere weefsellagen van keel, neus en oren worden bestreden met antibiotica en sulfapreparaten. Voor de lokale behandeling van dergelijke aandoeningen worden ook corticosteroïden gebruikt. Preparaten voor de therapie van neusaandoeningen bevatten antibiotica en/of corticosteroïden en bij aandoeningen van allergische aard ook antihistaminica, waardoor de werking van histamine, dat een belangrijke rol speelt bij het opwekken van allergische reacties, wordt tegengegaan. De decongestiva zijn stoffen die de congestie, dwz. de ophoping van slijm en vocht, tegengaan.

10. Oog

Voor de behandeling van oogaandoeningen is de arts voornamelijk op lokale toepassing van geneesmiddelen aangewezen, via de mond en per injectie toegediende stoffen zijn vaak niet bruikbaar daar ze veelal de weefsels van het oog niet bereiken. In zalven en oogdruppels kunnen stoffen verwerkt worden, die vaatvernauwing of vaatverwijding geven. Bepaalde oogaandoeningen gaan gepaard met een verwijding of vernauwing van de pupil. Er kunnen dan respectievelijk miotica (pupilvernauwers) olmydriatica (pupilverwijders) worden gegeven.

11. Slaapmiddelen

Klachten over het slapen nemen toe met het klimmen der jaren, vooral bij vrouwen en mensen met een nerveuze of introverte aanleg. Voor wie boven de vijftig zijn, is het normaal ’s nachts vaker wakker te worden; dat betekent niet dat hun gezondheid wordt bedreigd of dat zij slaapmiddelen nodig hebben.

Indien er werkelijk sprake is van een hinderlijke slaapstoornis zal de arts besluiten gedurende een bepaalde periode een slaapmiddel voor te schrijven. Aanvankelijk maakt een slaapmiddel de slaap langduriger, minder vaak onderbroken en eerder beginnend. Worden barbituraten echter langere tijd gebruikt, dan schijnt de slaap objectief noch subjectief te verschillen van die van andere mensen die klagen over slecht slapen maar daar geen middelen voor gebruiken. Een overdosis van deze middelen kan zeer gevaarlijk zijn. Echt verkwikkend is de slaap met barbituraten ook niet, daar ze het normale slaappatroon nogal versterken. Op den duur moeten steeds zwaardere doses geslikt worden om nog in slaap te komen, omdat de werkingskracht afneemt (gewenning).

Dit laatste geldt trouwens voor bijna alle slaapmiddelen. Het is met het oog op gewenning en verslaving raadzaam een slaapmiddel nooit langer dan voor een periode van 10-14 dagen te slikken. Het meest aan te raden, of beter gezegd het minst af te raden, zijn de middelen die behoren tot de groep van de benzodiazepinen (o.a. Mogadon, Dalmadorm, Rohypnol, Seresta, enz.). Men hoeft met deze middelen niet zó bang te zijn voor een overdosis, ze geven bovendien relatief weinig bijwerkingen en ze beïnvloeden het slaappatroon waarschijnlijk het minst.

Mensen die na langdurig gebruik van slaapmiddelen willen stoppen, kunnen dat het best in overleg met hun huisarts doen. Bij het staken van het gebruik, vooral van barbituraten, kunnen ontwenningsverschijnselen optreden, zoals misselijkheid, flauwtes, onrust, trillingen, paniek, stuiptrekkingen en soms coma. Om deze verschijnselen zoveel mogelijk te temperen moet men langzaam minderen met het gebruik.


Relevante artikelen

Nog geen reacties geplaatst, wees de eerste.



Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

MEDISCH VOORBEHOUD

De informatie op Menselijk Lichaam is géén medisch advies. Neem bij twijfel over gezondheid, behandeling of medicijnen altijd contact op met een arts, specialist of apotheker.

Meer informatie

Meld je aan voor de nieuwsbrief

Met het laatste nieuws en gezonde tips