Alles over jouw lichaam

Categorie: Skelet

Ruggenmerg

Het ruggenmerg (medulla spinalis) ligt in het wervelkanaal. Het loopt van de bovenkant van de eerste halswervel tot ongeveer de eerste of tweede lendenwervel. Tussen de wanden van het kanaal en het merg is een vrije ruimte, die met vetweefsel, bloedvaten, mergomhulsel en ruggenmergsvloeistof gevuld is. Het ruggenmerg heeft een lengte van 40 à 45 centimeter, en is 1 à 1,5 centimeter breed en ongeveer 30 gram zwaar. Men onderscheidt vier delen: een halsgedeelte, een borstgedeelte, een lendengedeelte en een sacraal gedeelte.

De witte stof (substantia alba medullae spinalis) van het ruggenmerg bestaat uit een gecompliceerd systeem dat wordt omgeven door bindweefsel en varieert in dikte en sterkte. Het bevat merghoudend en mergloos zenuwweefsel, en steunweefsel voor de zenuwen en bloedvaten. In de witte stof dringt de grijze stof binnen (substantia grisea medullae spinalis), met als hoofdbestanddeel zenuwcellen. De grijze stof is opgebouwd uit lange grijze zuilen die met elkaar zijn verbonden, de zogenoemde grijze zuilen of hoorntjes, die over de hele lengte van het ruggenmerg lopen. Men onderscheidt de voorhoorn, de achterhoorn en de zijhoorn (cornu). In ieder segment is er een voorwortel, die de voortakken van de motorische vezeling vertegenwoordigen; deze zijn ingebed in de grauwe stof.

Er zijn ook de achterste takken, die de sensorische vezeling vormen. Deze takken komen bijeen en vormen op die manier de ruggenmergszenuw. Het ruggenmerg heeft 31 paar bijna symmetrisch liggende ruggenmergs- of spinale zenuwen: acht halszenuwen, twaalf borstzenuwen, vijf lendenzenuwen en zes heiligbeenzenuwen. Hier is sprake van ‘gemengde’ zenuwen, die daar waar zij uittreden vertakken in buikwaarts en rugwaarts gelegen takken. In elke tak zijn zowel motorische als sensibele zenuwdraadjes te vinden. De rugwaarts gelegen takken zijn, met uitzondering van de twee bovenste halszenuwen, beduidend dunner dan die welke buikwaarts liggen.

Het halsvlechtwerk (plexus cervicalis) ontspringt uit de buikwaarts gelegen takken van de vier bovenste hals-ruggenmergszenuwen. Het ontstaat via verbindingstakken met andere zenuwen, en zendt ook zenuwen uit naar de huid en naar de spieren in de hals en de borst. De voornaamste motorische zenuw van het halsvlechtwerk is de middenrifzenuw, die aan de vierde halswervel ontspringt.

Het vlechtwerk van de bovenarm ontstaat uit de verbinding van de takken van de vijfde tot de achtste hals-ruggenmergs-zenuw. Daarbij moet men onderscheid maken tussen de delen boven en onder de sleutelbeenzenuwen. Het ondersleutelbeendeel, dat in de gelijknamige groeve ligt, vertakt zich naar de diepe halsspieren en naar de spieren van de bovenarmgordel. Het deel van de zenuw onder het sleutelbeen, dat in de okselholte ligt, stuurt al zijn takken naar de spieren en de huid van de bovenst extremiteit; een zenuw loopt naar de bovenarmgordel.

De twaalf paren borstzenuwen (nervi thoracici) vormen geen gemeenschappelijk zenuwvlechtwerk. Buikwaarts gerichte takken die zich naar voor draaien, lopen tussen de ribben door en heten dientengevolge tussenribzenuwen. Bovendien sturen de hals-ruggenmergszenuwen hun takken naar de huid en de spieren van de romp.

Het lendenvlechtwerk (plexus lumbalis) ligt voor de dwarsuitsteeksels van de lendenwervel. Zijn vertakkingen gaan naar de spieren van het kleine bekken, de geslachtsorganen alsook naar de huid en
de spieren van de onderste extremiteit.

De takken van het vlechtwerk van het heiligbeen (plexus sacralis) gaan voornamelijk naar de huid van de vaten, de dam, de heupen en het onderbeen. Een directe uitloper van de wortels is de nervus ischiadicus, de grootste zenuw van het menselijk lichaam.

Bij het vegetatieve of autonome zenuwstelsel (systema nervosum autonomicum) gaat het slechts om een gedeelte van het centrale zenuwstelsel. Fysiologisch en morfologisch gezien verdeelt men het vegetatieve zenuwstelsel in het sypathische en het parasympathische zenuwstelsel. Het vegetatief zenuwstelsel regelt het inwendig functioneren van de vertering, de bloedsomloop, de lymfevaten, de klier- en geslachtsfuncties, en gedeeltelijk de gladde en ook de dwarsgestreepte musculatuur. Het centrum van het sympathische zenuwstelsel (pars sympathica) bestaat uit een groep gangliacellen in de grijze stof van het ruggenmerg. Het linker en rechter centrum ligt steeds in de zijhoornen van het ruggenmerg tussen het achtste halssegment en het tweede en derde lendensegment.

Het deel van het hoofd (pars cephalica) van het sympathische zenuwstelsel wordt gevormd door meerdere vlechtwerken van de halsdeeltakken die uit grensstam ontspringen. Deze vlechtwerken vertakken
zich langs de bloedvaten van het hoofd.

Het halsgedeelte (pars cervicalis)van de sympathische wortels ligt voor de dwarsuitsteeksels van de halswervels op de lange hoofd- en halsspieren. Het bedient de organen en systemen van hoofd, hals en borstkas.

Het borstgedeelte (pars thoracica) ligt aan weerszijden van de wervelkolom, van de eerste tot de twaalfde borstwervel, en vertakt zich in de organen van de borst- en buikholte.

In het buikgedeelte (pars abdominalis) van de sympathische stam vindt men het grootste vegetatieve vlechtwerk, de zonnevlecht (plexus celiacus),die over een breed terrein de organen van de buikholte van zenuwen voorziet.

Het bekkendeel (pars pelvina) ligt de bekkenkant van het heiligbeen; het bedient de organen van het kleine bekken.

Ook in het parasympathische zenuwstelsel (systema nervosum parasympathicum) maakt men onderscheid tussen een systeem van het merg en van de periferie. Het centrum heeft een hersenengedeelte
en een sacraal gedeelte (het heiligbeen). Het hersendeel (pars encephalica) heeft tien paar zenuwen, het sacrale deel (pars sacralis) bedient de geslachtsorganen en het kleine bekken.

Alle segmenten van het vegetatief zenuwstelsel zijn ondergeschikt aan de hogere vegetatieve centra, die zich bevinden in de tussenhersenen. En die zijn op hun beurt weer afhankelijk van de
hersenschors, die voor de lichamelijke reacties zorgt, en de somatische en vegetatieve functies ervan coördineert. Het sympathische systeem activeert het lichaam en al zijn functies, terwijl
daarentegen het parasympathische systeem het lichaam ontspant en het zich laat herstellen. Prikkeling van het sympathische systeem versterkt de hartwerking, verhoogt de arteriële bloeddruk, mobiliseert glycogeen in de lever en geeft de spieren van het skelet meer prestatievermogen. Bij een prikkeling van het parasympathisch systeem wordt de arbeid van het hart verminderd en de
bloeddruk verlaagd; maar bovendien wordt de insulinesecretie gestimuleerd, zodat het glucosepeil in het bloed daalt. Ook wordt door de parasympathicus de productie van maag- en alvleeskliersappen aangezet, om de spijsvertering op gang te brengen

Nog geen reacties geplaatst, wees de eerste.



Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*