Alles over jouw lichaam

Categorie: Skelet

Skelet

Het menselijk lichaam bestaat uit ongeveer 208 beenderen. Samen vormen zij het skelet. Het skelet heeft als taak ons lichaam te ondersteunen. Door een functionele eenheid met de spieren maakt
het skelet het mogelijk dat de mens rechtop kan staan en zich kan bewegen. Bovendien fungeert het als beschermende omhulling voor de hersenen, het ruggenmerg en de zintuigen.

We onderscheiden naar vorm lange, korte en platte beenderen. Uitgezonderd de gewrichten, waar het oppervlak bedekt wordt door een laag kraakbeen, worden alle beenderen omgeven door een dubbele bindweefsellaag, waarvan de buitenste laag de bloedvaten en zenuwen bevat die nodig zijn voor de voeding van de beenderen en het beenmerg. In doorsnede kan men bij bijna ieder bot een tweedelige structuur zien, te weten een compacte en een sponsachtige substantie. De dichte, compacte beensubstantie vormt de solide beenmantel, terwijl de beenbalkjes, die paddestoelvormig zijn, zich in het binnenste bevinden.

Voor een systematisch begrip van het skelet behandelt men de beenderen van de romp, van de schedel alsook de beenderen van de bovenste en de onderste extremiteiten telkens als een aparte eenheid. Bij de indeling van de gewrichten, de verbindingen tussen de afzonderlijke beenderen, wordt een onderscheid gemaakt tussen onderbroken en niet-onderbroken gewrichten. Niet-onderbroken gewrichten zijn verbindingen waarbij de beenstukken vast met elkaar verbonden zijn en niet ten opzichte van elkaar vrij kunnen bewegen. Dergelijke beenverbindingen van vaste aard tussen twee beenstukken worden aanhechtingen (synartrosen) genoemd. Bestaat het verbindingsmateriaal daarbij uit bindweefsel, dan spreekt men van bindweefselig (syndesmose), bestaat het uit kraakbeen, dan spreekt men van kraakbenig (synchondrose); het weefsel dat afzonderlijke botstukken verbindt en dat in de jeugd is ontstaan, is beensubstantie (synostose).

Onderbroken verbindingen worden echte gewrichten of diartrosen genoemd. Hier bevinden de gewrichtsuiteinden van de beenstukken zich in een gewrichtsspleet. Het bolle uiteinde noemt men de kop, het holle de pan. Door het gewrichtskapsel blijven de botstukken met elkaar verbonden. Bij de echte gewrichten zijn de gewrichtsvlakken (facies articulares) waaruit het gewricht bestaat, bekleed met kraakbeen (cartilagines articulares). Het omringende gewrichtskapsel (capsula articularis) bestaat uit twee lagen van dicht, vezelig weefsel, de zogenaamde kapsellaag.

De binnenste kapsellaag, de synoviale membraan scheidt gewrichtssmeer (synovia) af, die de wrijving tussen de botstukken vermindert en deze onderhoudt. Ook de buitenste laag bestaat uit het dichte (bind)weefsel. Het vormt de overgang tussen het gewrichtskapsel en het beenvlies van het betreffende bot en heeft onder andere tot doel, door zijn consistentie bepaalde bewegingen te remmen. De in het gewricht liggende vezelige kraakbeentjes (disci articulares of gewrichtsschijven) en halvemaanvormige menisci verdienen nog apart vermelding. Zij verdelen geheel of gedeeltelijk het gewricht. De ruimte tussen de gewrichten wordt de gewrichtsspleet (cavum articulare) genoemd.

Bij een onbeschadigd gewricht is hij hier alleen het raakvlak van de twee beenstukken, omdat deze door de luchtdruk en spierkracht stevig op elkaar gedrukt worden. De gewrichtsspleet zelf wordt omsloten door een vlies, waardoorheen elastische, uit bindweefsel bestaande gewrichtsbanden of ligamenten lopen. De beweeglijkheid van de afzonderlijke gewrichten wordt gekenmerkt door hun bouw. Er zijn gewrichten die beweging in elke richting mogelijk maken, bijvoorbeeld het schoudergewricht; er zijn gewrichten met twee assen, die alleen bewegingen in twee vlakken mogelijk maken ( het handgewricht), en er zijn gewrichten waarbij de beweeglijkheid beperkt is tot een enkele as, bijvoorbeeld het ellebooggewricht.

Nog geen reacties geplaatst, wees de eerste.



Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*