Alles over jouw lichaam

Bloeddruk

De door de hartspier uitgeoefende druk, waaronder de bloedmassa van het gehele lichaam door de aderen gepompt wordt. De bloeddruk is afhankelijk van de hoeveelheid bloed dat door het hart rondgepompt wordt, de kracht waarmee het hart het bloed rondpompt en de weerstand van de bloedvaten. De bloeddruk is het hoogst in de zogenaamde systole, wanneer de hartkamers (zie hart) samentrekken en het laagst tijdens de zogenaamde diastole, wanneer de hartspier verslapt. Maar ook tijdens de diastole staat de bloedstroom niet stil.

De elastische wanden van de grote slagaderen worden door de systolische druk zo uitgerekt, dat zij zich tijdens de diastole weer samentrekken en het bloed voortstuwen. Daarbij verhinderen ingebouwde ventielkleppen de terugstroming naar het hart. Zo vormt zich de hoge systolische en de lage diastolische bloeddruk. Op de leeftijd van 20 jr. is het gemiddelde voor de systolische bloeddruk 120 mm en voor de diastolische 80 mm kwikdruk. Onder bepaalde omstandigheden stijgt de bloeddruk, zoals bij inspanning van het lichaam en emotionele opwinding. Bij het ouder worden stijgt de bloeddruk doordat de elasticiteit van de slagaders afneemt en daardoor de weerstand waartegen het bloed rondgepompt wordt toeneemt. Een aanhoudende hoge bloeddruk (hypertensie), meestal een gevolg van een ziekte van de nieren, het vaatstelsel, het hart of een gevolg van nervositeit, kan ernstige gevolgen hebben. Een te lage bloeddruk (hypotensie) kan het gevolg zijn van hartzwakte, bloedverlies of een shocktoestand en kan leiden tot klachten als duizeligheid en hoofdpijn. De bloeddruk wordt gemeten met behulp van een opblaasbare manchet, een drukmeter en een stethoscoop. De bloeddruk kan ook direct gemeten worden door het opschuiven van een drukgevoelige catheter in een bloedvat. Zie ook hoge bloeddruk.

De slagaderlijke bloeddruk is het resultaat van de output van het hart maal de weerstand die het bloed moet overwinnen terwijl het stroomt. Bloedruk wordt gedefinieerd in systolische en diastolische druk. Systolische druk is de maximumdruk die bij iedere hartslag in de slagaders wordt geproduceerd. Diastolische druk is de constante druk die tussen hartslagen in de slagaders aanwezig is. Veel factoren kunnen de bloeddruk van een persoon beïnvloeden: leeftijd, beweging, stress, zwaarlijvigheid en medicatie.

Bloeddruk wordt gemeten met behulp van een sfygmanometer en wordt uitgedrukt in millimeters kwik. Een normale bloeddruk is 120 millimeter systolische druk en 80 millimeter diastolische druk. Dit wordt doorgaans afgekort weergegeven als 120/80. Het is belangrijk te onthouden dat dit getal alleen een standaard is en er geen vaste waarde voor bloeddruk is.

Wanneer men de bloeddruk met behulp van een stethoscoop vaststelt worden er vijf fasen in series van geluiden (Korotkoff’s geluiden) geïdentificeerd. De apparatuur die vereist is om deze vijf fasen de identificeren en de bloeddruk te evalueren zijn een sfygmanometer, een manchet en een stethoscoop. Externe druk wordt op een aan de oppervlakte gelegen slagader toegepast en deze druk wordt afgelezen van de sfygmanometer wanneer de bloedstroom voor het eerst door de stethoscoop wordt waargenomen.. Om dit te bereiken wordt de manchet eerst om een oppervlakte-ader aangebracht. Over het algemeen wordt de manchet om de bovenarm gewikkeld. Slangetjes verbinden de manchet met de manometer. Andere slangetjes verbinden de manchet met een kleine bol die handmatig kan worden bediend. Een ventiel op de bol wordt omgezet om de manchet op te kunnen blazen wanneer er in de bol wordt geknepen. De manchet wordt tot ongeveer 30 mm Hg boven het punt waar het laatste geluid werd gehoord opgepompt Dat is het punt waar de bloedstroom in de slagader werd gestopt. De opgeblazen manchet veroorzaakt druk op de slagader waardoor de bloedstroom stopt. Het ventiel wordt in de tegenovergestelde richting gezet om langzaam de druk af te bouwen, ongeveer 2 tot 3 mm Hg per geluid, terwijl de druk op de manometer wordt afgelezen. De bloeddruk wordt gemeten terwijl de manchet leegloopt. De vijf fasen die tijdens de evaluatieperiode plaatsvinden zijn:

Fase 1: De periode die wordt ingeluid door de eerste zwakke maar duidelijke klopgeluiden. Deze geluiden worden geleidelijk sterker.

Fase 2: De periode dat de geluiden steeds een ruis vertonen.

Fase 3: De periode dat de geluiden helderder en sterker zijn.

Fase 4: De periode waarin de geluiden gedempt worden en een zacht, blazend karakter hebben.

Fase 5: Het moment dat de geluiden verdwijnen.

In overeenstemming met de richtlijnen die zijn ingesteld door de Hartstichting, is de systolische druk het moment dat het eerste klopgeluid wordt waargenomen (fase 1). Bij volwassenen is de diastolische druk het moment dat de geluiden verdwijnen (fase 5). Bij kinderen is de diastolische druk het moment dat de geluiden gedempter worden (het begin van fase 4).

Nog geen reacties geplaatst, wees de eerste.



Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*