Alles over jouw lichaam

Categorie: Algemeen

Gezwel

Een gezwel (tumor), plaatselijke overmatige weefselgroei. Ook in het volwassen lichaam dat zijn groei grotendeels beëindigd heeft, sluimert in de meeste weefsels het vermogen tot verdere groei en onder allerlei omstandigheden treedt versnelde deling en weefselgroei op. Dit geldt niet slechts voor ziekelijke omstandigheden, ook in het normale lichaam vindt men, in het bijzonder bij de vrouw, telkens weer aanwijzingen van dit vermogen, bijv. de periodieke veranderingen van de geslachtsorganen, de groei van de zwangere baarmoeder enz.

De rust in het volwassen lichaam is slechts schijnbaar, maar door nog slechts zeer ten dele bekende regelmechanismen houden de weefsels elkaar in dit opzicht als het ware in evenwicht en is dus het vermogen tot overmatige groei onderdrukt doch niet verloren. Bij een grote groep weefselziekten wordt het harmonisch evenwicht tussen de weefsels verstoord. Dit is de groep van de gezwellen. Binnen deze groep moet men scherp twee ondergroepen onderscheiden. In de eerste ondergroep komt het slechts tot een min of meer uitgebreide, meestal langzame en rustige, plaatselijke overmatige groei, het weefsel is overigens normaal en hoewel het door druk wel schade aan ander weefsel kan toebrengen groeit het gezwelweefsel niet in andersoortig weefsel door en overwoekert het nabijliggende weefsels niet. Voorbeelden van dergelijke goedaardige gezwellen zijn de als vleesboom bekendstaande spiergezwellen in de baarmoederwand.

Hiertegenover staan de terecht gevreesde kwaadaardige gezwellen of kanker, waarbij de cellen zelf niet ernstig ziek zijn maar de bouw van het weefsel afwijkend is. Kwaadaardige gezwellen groeien veelal snel. Hierbij storen zij zich niet aan weefselgrenzen en woekeren in de omringende weefsels door. De neiging tot ongebreidelde woekering die deze cellen bezitten is oorzaak van het feit dat, indien een dergelijk gezwel niet volledig wordt weggenomen ook het nog zo kleine restant blijft groeien vaak nog sneller dan voorheen. Ook is deze neiging tot woekering er de oorzaak van dat als stukjes van het gezwel, of wellicht maar enkele cellen, losraken en door bloed en lymfvaten naar andere plaatsen van het lichaam versleept worden, zij daar in de regel dochtergezwellen gaan vormen. In tegenstelling dus tot de goedaardige, die soms door hun plaats gevaar kunnen opleveren, vormen de kwaadaardige door het feit van hun kwaadaardigheid, een voortdurende bedreiging van het leven.

Binnen de groep van de kwaadaardige gezwellen wordt in het algemeen een onderscheid gemaakt tussen die van de dekweefsels (epitheliale tumoren) en die van de bind en steunweefsels (mesenchymale tumoren). In de medische naamgeving komt eveneens tot uiting of men met een goedaardig dan wel met een kwaadaardig gezwel te maken heeft. Een goedaardig gezwel van het vetweefsel bijvoorbeeld wordt lipoom (lipoma), een kwaadaardig liposarcoom (liposarcoma) genoemd.

De gezwellen van het steunweefsel nemen een afzonderlijke positie in: indien hier van gezwelvorming sprake is, gaat deze veelal uit van het eigen steunweefsel van het zenuwstelsel. Indien men van de gezwellen van het zenuwweefsel afziet, kan men zeggen dat in de regel kwaadaardige gezwellen van de dekweefsels meestal op middelbare leeftijd voorkomen: gezwellen van de groep van de steunweefsels, die overigens veel zeldzamer zijn, komen voor op alle leeftijden dus ook reeds in de jeugd. Wat de kwaadaardige gezwellen van de dekweefsels betreft, indien zij zich nogal vroeg voordoen, zijn zij meestal tamelijk kwaadaardig en groeien snel; bij oude mensen groeien deze gezwellen meestal langzamer en kunnen zij betrekkelijk goedaardig zijn. Men beschouwt de ongebreidelde weefselgroei in zekere zin als een verbreking van het evenwicht, zoals die in het normale gezonde lichaam voorkomt.

Het is in dit verband wellicht van belang dat deze gezwellen zich dikwijls ontwikkelen op plaatsen waarbij dit evenwicht beweeglijk is, bijvoorbeeld in de vrouwelijke geslachtsorganen en de borstklier, of waar het ernstig was verstoord, bijvoorbeeld in littekens van verbrandingen of beenmergontstekingen en de vorming van gezwellen na langdurig schadelijke prikkeling zoals roken, maagzweer. De ontwikkeling van een gezwel door voortdurende of herhaalde schadelijke prikkeling (tongkanker bij pijprokers, maagkanker bij maagzweer) kan echter zeker niet zonder meer worden gezien als een overmatige groeireactie op weefselvernietiging.

De prikkeling werkt hier als een bijkomstige, uitlokkende oorzaak, die tot uiting komt indien de gezwelneiging bestaat. Hoe belangrijk het ook is dat tongkanker meer bij pijprokers voorkomt, het is van nog meer belang dat deze zich slechts bij een klein gedeelte der pijprokers
openbaart. Het wezenlijke is hier de gezwelneiging en deze is in vele gevallen erfelijk. Iedere uitwendige oorzaak, welke dan ook, moet ten slotte als bijkomstige oorzaak worden gezien.

De verschijnselen van kwaadaardige gezwellen hangen natuurlijk ten nauwste samen met de plaats waar het gezwel zetelt. Het is van belang te weten dat in het algemeen pijn zeker niet tot de vroege verschijnselen behoort en dat het ontbreken van pijn dus de aanwezigheid van een kwaadaardig gezwel niet uitsluit.

Het is duidelijk dat een gezwel in bijvoorbeeld slokdarm of maag tot ernstige verstoring van de voedingstoestand kan leiden, maar ook afgezien daarvan ziet men dat lijders aan een snel groeiend kwaadaardig gezwel veelal vermageren en verzwakken, dat hun algemene toestand achteruitgaat. Het gezwel leeft ten koste van het lichaam dat het gezwel draagt. Hoe overigens deze sterke verstoring van het algemeen welbevinden, van de algemene lichamelijke toestand, tot stand komt is nog slechts ten dele duidelijk. Een snelle gewichtsvermindering op enigszins gevorderde leeftijd dient, ook als er (nog) geen duidelijke plaatselijke verschijnselen zijn, voor de arts altijd aanleiding te zijn tot het uitvoeren van een geneeskundig onderzoek.

Kwaadaardige gezwellen behoren thans, met de ziekten van hart en bloedvaten, tot de bebelangrijkste doodsoorzaken. Dit is op zich geen reden tot ongerustheid, wel is het voor ieder afzonderlijk een reden tot waakzaamheid. Want zolang men er nog niet in is geslaagd een behandeling te vinden die op het wezen van de ziekte inwerkt, is men voor de behandeling nog aangewezen op dikwijls drastische methoden om het gezwel uit te roeien, hetzij door operatie, hetzij door bestraling. De kansen om dit met succes te kunnen doen zijn beter naarmate het gezwel vroeger ter behandeling komt.

Kan men dus tegen gezwelvorming betrekkelijk weinig doen, wel kan men trachten die invloeden te vermijden die bij bestaande neiging de totstandkoming van een gezwel uitlokken (goede gebitsverzorging tegen mondkanker, goede behandeling van allerlei slepende ontstekingen, van maagzweren, nalaten van sigaretten roken ter vermijding van longkanker). Goedaardige gezwellen kunnen onder bijzondere omstandigheden ernstige ziekteverschijnselen geven of zelfs het leven bedreigen. Het meest treffende voorbeeld hiervan is een gezwel binnen de schedelholte, zoals bijv. een gezwel van het eigen steunweefsel van de hersenen. De hersenen met de in de hersenkamers en om de hersenen aanwezige vloeistof kunnen als een vloeistof worden beschouwd, die zich niet of nauwelijks laat samendrukken en die is opgesloten in de schedelholte. Iedere gezwelvorming binnen de schedel zal dus, ook al is zij ‘goedaardig’, door ruimtebeperking verschijnselen van sterke drukverhoging binnen de schedel kunnen geven.

Nog geen reacties geplaatst, wees de eerste.



Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*