Longkanker

Longkanker is een kwaadaardig gezwel van de luchtpijpvertakkingen. Men spreekt in het algemeen van longkanker, hoewel het eigenlijk een aandoening van de luchtpijp vertakkingen is en niet van de longblaasjes. De meeste longgezwellen gaan uit van het slijmvlies van de luchtpijpvertakkingen. Het is dus zin voller te spreken van lucht-pijpkanker (bronchuscarcinoom).

Deze vorm van kanker is gedurende de afgelopen vijftig jaar veranderd van een zeldzame doodsoorzaak in een zeer belangrijke. Deze toename is vooral aanzienlijk bij mannen en vrouwen van gevorderde middelbare leeftijd. Belangrijk is dat is komen vast te staan dat lijders aan luchtpijpkanker meer en langer sigaretten rookten dan andere mensen. Vele andere factoren kunnen echter eveneens een rol spelen: de erfelijke aanleg, het gestel, het al of niet bestaan van astma, langdurige luchtpijpontsteking (bronchitis), alcoholgebruik, enz. Naast het roken van sigaretten speelt de luchtverontreiniging een belangrijke rol in de discussie over het ontstaan van longkanker en dus van luchtpijpkanker. Het antwoord op de vraag welke rol algemene luchtverontreiniging speelt is zeer ingewikkeld.

Het verband tussen roken en kanker geldt zowel voor landelijke als voor stadsgebieden, maar de sterftecijfers aan longkanker zijn in stedelijke gebieden veel hoger. In Londen bijvoorbeeld overlijden drie tot vier maal zoveel mensen aan longkanker als op het Engelse platteland.

Toch spreken sommige cijfers elkaar op dit punt weer tegen. In Finland bestaat het op één na hoogste sterftecijfer aan longkanker in Europa, hoewel de bevolking er grotendeels op het platteland woont. In Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika vertonen mannelijke immigranten uit Engeland, die evenveel roken, hogere sterftecijfers aan longkanker dan de in het land zelf geboren mannen.

Vast staat dus alleen dat het jarenlang roken van sigaretten een belangrijke factor is bij het ontstaan van luchtpijpkanker. Het is van belang te erkennen dat deze stelling er allerminst van uitgaat dat het roken van sigaretten de enige oorzaak van longkanker zou zijn. Het is immers een onloochenbaar feit dat kanker van de ademhalingswegen zij het veel zeldzamer ook voorkomt bij niet-rokers. Er zijn dus ook andere factoren in het spel, ongunstige zowel als gunstige.

Zo is het bekend dat de sterftecijfers in Japan en de Verenigde Staten lager zijn dan men op grond van het sigarettenverbruik zou mogen verwachten. Men heeft wel gedacht dat dit wat de Verenigde Staten betreft verklaard zou kunnen worden uit de gewoonte van de Amerikanen om een sigarettepeuk reeds weg te werpen als hij nog tamelijk groot is (ongeveer 1/3 van de sigaret). Voor Japan gaat deze verklaring echter weer niet op.

Het is helaas nooit gelukt bij proefdieren longkanker te verwekken door blootstelling aan tabaksrook in de inademingslucht. Het statistisch sterke verband tussen roken (speciaal van sigaretten) en luchtpijpkanker lijkt niettemin een oorzakelijk verband te weerspiegelen.

Dit verband wordt ondersteund door de volgende overwegingen:

a.in tabaksrook zijn verschillende stoffen aanwezig waarvan bekend is dat ze kankerverwekkend zijn,

b.het is mogelijk bij dieren huidkanker te verwekken door herhaaldelijk bestrijken met tabaksteer,

c.in het bekledende dekweefsel van de luchtpijptakken kunnen bij rokers microscopische veranderingen worden gevonden van een type dat aan de ontwikkeling van kanker vooraf zou kunnen gaan (precarcinoom).

De laatste jaren is speciale aandacht ontstaan voor de vorm van longkanker die zich ontwikkelt rondom een litteken in de long (het zgn. littekencarcinoom). Men veronderstelt dat langdurige prikkeling van een litteken in de long (genezen longtuberculose, genezen longontsteking, genezen infarct of embolie, schot of steekwonden, enz.) bij bepaalde personen reeds voldoende is om longkanker te krijgen. Ook het verschijnsel dat veel meer mannen dan vrouwen aan longkanker lijden is nog een raadsel. In landen waar vrouwen al zeer lang en veel roken, blijft de verhouding tussen mannen en vrouwen met longkanker ongeveer dezelfde als voor die tijd en gelijk aan die van landen waar vrouwen niet of belangrijk minder roken (1 vrouw tegenover 30 mannen). Het is ook bekend dat tuberculose en/of andere langdurige long of luchtpijpziekten zoals astma en bronchitis de kans op luchtpijpkanker verhogen.

Verschijnselen.

Luchtpijpkanker veroorzaakt de volgende klachten:

1. hoest.

Veel rokers hebben een ‘rokershoest’. Dit is een droge prikkelhoest, zonder opgeven van slijm. Soms zijn er echte hoestbuien. Oorzaak van de prikkelhoest is het beginnende gezwel in de luchtpijpvertakkingen. Deze karakteristieke hoest is een belangrijk ziekteverschijnsel.

2.slijmproduktie.

Ook dit ziekteverschijnsel is belangrijk en kenmerkend voor een bepaald type luchtpijpkanker. Het ophoesten van minimale hoeveelheden bloed met het slijm (vaak alleen microscopisch aantoonbaar bij onderzoek van het slijm) berust op gering bloedverlies uit het gezwel.

3.koortsaanvallen.

Deze verlopen vaak als bij ‘griep’ of bronchitis. Zij zijn echter een teken dat om of achter het gezwel een afsluiting in ontwikkeling is.

4.vermagering.

Dit verschijnsel is geen regel. Vooral bij de goedaardige kankers van de bekledende plaveiselcellen in de luchtpijptakken van oudere mannen treedt geen vermagering op.

Verder treedt vooral bij inspanning kortademigheid op en de patiënt voelt zich minder fit. Soms wordt zowel bij de inademing als bij de uitademing een fluitend bijgeluid gehoord. Er kan een pijnlijk en/of drukkend gevoel in de borst optreden en er komen lichte maag-darmstoornissen voor.

Al deze verschijnselen zijn weinig alarmerend en worden indien zich geen ernstiger ziekteverschijnselen voordoen in de regel voor terugkerende griepjes of verkoudheden gehouden.

Indeling.

De meest gebruikelijke indeling van de luchtpij pgezwellen is die op basis van weefselonderzoek.

Type 1: kanker van het bekledende weefsel van de luchtpijpvertakkingen (plaveiselcelcarcinoom). Het gezwel bestaat uit overmatige vorming van plaveiselcellen.

Type 2: kanker van de kliercellen in de bekledende slijmlaag van de luchtpijpvertakkingen (adenocarcinoom). Dit type gezwel bestaat uit sterke vermeerdering van kliercellen die abnormaal veel slijm produceren.

Type 3: kleincellige luchtpijpkanker. Het kenmerk hiervan is dat alle gezwelcellen klein zijn met een donker gekleurde kern en weinig cel-vocht. De cellen zijn nooit gerangschikt in orgaanachtige samenhang. Naast de voor kankergezwellen kenmerkende celdeling is er ook veel versterf. Dit is de meest kwaadaardige vorm van luchtpijpkanker.

Type 4: grootcellige luchtpijpkanker. De cellen ontwikkelen zich niet tot een bepaald type (ongedifferentieerd),-dwz. dat het geen dek-cellen en ook geen kliercellen zijn.

Alle vier typen kankergezwellen kunnen in aangrenzende weefsels (longen, maar ook de slokdarm en het hart) binnendringen en tot zeer ernstige complicaties leiden.

Betekenis van het celtype voor de kans op genezing. Het celtype is van groot belang voor de vooruitzichten van de patiënt met kanker van de luchtpijptakken. Als een operatieve ingreep mogelijk lijkt heeft de patiënt met kanker van het eerste of tweede type (plaveiselcelcarci-noom of adenocarcinoom) nog de beste kan-sen. De plaveiselcelgezwellen maken ongeveer 60% van alle gevallen van luchtpijpkanker uit.

De kleincellige luchtpijpkanker maakt ongeveer 20% uit, kliercelkanker 10% en de overige vormen eveneens 10%. De plaveiselcelge-zwellen kunnen nog verder worden onderverdeeld in verhoornende en niet verhoornende en in goed en slecht gedifferentieerde kankers. De goed gedifferentieerde vorm heeft de beste kans op genezing. De kleincellige gezwellen bieden verreweg de slechtste vooruitzichten omdat deze zich zeer sterk uitbreiden en snel uitzaaiingen vertonen.

In de grotere luchtpijptakken komt nog een zeer langzaam groeiend gezwel voor (bron-chusadenoom) dat langzaam aan de luchtpijptak afsluit.

Behandeling van Longkanker.

De arts kan kiezen tussen drie mogelijkheden: 1. operatieve verwijdering van de zieke delen, 2. geneesmiddelen, 3. bestraling.

1. Operatie.

Tot nu toe kan alleen chirurgische behandeling blijvende genezing van een lucht-pijpgezwel bewerkstelligen. Een deel van een long wordt alleen verwijderd als er sprake is van een zeer klein luchtpijpge-zwel bij patiënten met beperkte werking van hart en/of longen. De verwijdering van een hele longkwab wordt veel verricht indien het gezwel geheel in een longkwab is gelegen.

Verwijdering van de gehele long (pneumecto-mie) wordt toegepast indien de uitbreiding van het gezwel meer dan één longkwab omvat. Dit is zonder meer een zware operatie die ook de nodige voorbereidende.onderzoekingen vraagt om te kunnen bepalen of de patiënt deze ingreep zal kunnen doorstaan. De reserves van hart en longen moeten voldoende groot gebleken zijn voordat het risico van een operatie kan worden genomen.

2.Geneesmiddelen.

Terwijl de behandeling van plaatselijke kwaadaardige gezwellen zonder uitzaaiingen steeds door middel van een operatie of door bestraling zal kunnen plaatsvinden, zijn deze behandelingsmethoden bij verspreide gezwellen niet toereikend. Deze omstandigheid is een van de voornaamste redenen waarom de laatste jaren de belangstelling voor de behandeling van kwaadaardige gezwellen met behulp van groeiremmende stoffen (zie Cytostatica) sterk is toegenomen.

Helaas bestaan er echter tussen normale cellen en gezwelcellen veel kleinere verschillen dan tussen bijvoorbeeld bacteriën en lichaamscellen. Het streven om cytostatische stoffen te maken die op gezwelweefsel sterker werken dan op de normale lichaamscellen heeft dan ook tot op heden weinig resultaat opgeleverd. De meeste van deze groeiremmende stoffen zijn om deze reden een compromis tussen enerzijds de wens van snelle beschadiging van het gezwelweefsel en anderzijds het gevaar voor beschadiging van gezonde weefsels. De gevoeligste lichaamsweefsels zijn die weefsels die een sterke groei kunnen vertonen, zoals beenmerg, geslachtsklieren en haarwortels.

3.Bestraling.

Bestraling wordt toegepast in die gevallen, waarin de werking van hart en/of longen dusdanig slecht is dat er niet geopereerd kan worden. Tegenwoordig neigt men tot een afwisselende behandeling met geneesmiddelen en bestraling. Plaatselijke behandeling met telekobaltbestraling of megavoltbestraling kan tijdelijk redelijke resultaten geven. De vooruitzichten op langere termijn worden niet gunstiger beoordeeld dan na een behandeling met groeiremmende middelen.

Relevante artikelen

Nog geen reacties geplaatst, wees de eerste.



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

MEDISCH VOORBEHOUD

De informatie op Menselijk Lichaam is géén medisch advies. Neem bij twijfel over gezondheid, behandeling of medicijnen altijd contact op met een arts, specialist of apotheker.

Meer informatie

Meld je aan voor de nieuwsbrief

Met het laatste nieuws en gezonde tips