Vitamine A

Vitamine A is in 1913 door Mc Collum en Davis geïsoleerd.

 

Tijdens de Eerste Wereldoorlog kwam men erachter dat gele groente zoals worteltjes, zoete aardappelen en andere plantaardige producten, eigenschappen van vitamine A bezitten. Later ontdekte men dat ook groene groente deze eigenschappen bezit. En weer later kon de werkbare stof caroteen uit de groene plantedelen worden afgescheiden.

Het was nog onduidelijk wat de relatie was tussen vitamine A en caroteen, tot in 1929 Moore ontdekte dat caroteen in het lichaam wordt omgezet in vitamine A. Daarom wordt caroteen ook wel provitamine A genoemd.

Functies

In 1935 werd ontdekt dat vitamine A een rol speelt bij de vorming van rodopsine of staafjesrood, een bestanddeel van het netvlies van het oog dat ervoor zorgt dat de mens in het schemerdonker kan zien.

Vitamine A speelt ook een rol bij de instandhouding van het weefsel dat de bovenste laag van de huid vormt en het weefsel dat de lichaamsholten bekleedt, zoals het geval is bij luchtpijp, slokdarm, maag, ingewanden, nieren en blaas.

Omdat vitamine A onmisbaar is voor de groei noemde men deze vroeger ook wel ‘groeivitamine’.

Verder houdt vitamine A de slijmvliezen intact, beschermt de mens tegen infecties en speelt een rol bij de vruchtbaarheid.

Een tekort aan vitamine A leidt tot xeroftalmie, een ernstige oogziekte die uiteindelijk zelfs tot blindheid kan leiden. De bekendste aandoening die door een vitamine A-gebrek wordt veroorzaakt is schemerblindheid. Gaat een gezond oog in schemerdonker na enige tijd steeds beter zien, bij een vitamine A-tekort is dat aanpassingsvermogen van het oog verminderd omdat er geen staafjesrood wordt gevormd. (Er bestaat ook een erfelijke vorm van schemerblindheid, die niets te maken heeft met een vitaminetekort.) Een tekort aan vitamine A leidt tevens tot een geremde groei en verhooming van bepaalde weefsels. Dit kan leiden tot afwijkingen van de huid en van de slijmvliezen van darmen en luchtwegen, waardoor de kans op infecties wordt vergroot.

Bronnen

Van nature komt vitamine A voor in dierlijke voedingsmiddelen als melk(vet), boter, kaas, yoghurt, room, eidooier, lever en sommige soorten vette vis, zoals paling, haring, sardine, karper. De lever is een opslagplaats voor vitamine A. Zo is heilbotlever zeer rijk aan vitamine A. Rundvet en reuzel bevatten géén vitamine A. Magere melk, karnemelk en magere yoghurt evenmin.

In de dagelijkse voeding zijn, naast boter en melk, margarine en halvarine belangrijke bronnen van vitamine A. Toen grote bevolkingsgroepen steeds meer margarine (en later ook halvarine) gingen gebruiken in plaats van boter, werd voor een tekort aan vitamine A gevreesd. Om dit te voorkomen worden in Nederland margarine en halvarine verrijkt met vitamine A (en eveneens met vitamine D). En toen steeds meer moeders gingen kiezen voor flesvoeding in plaats van borstvoeding werd besloten ook de kant-en-klare zuigelingenvoedingen met vitamine A en D te verrijken.

Caroteen—dat zoals gezegd in het lichaam wordt omgezet in vitamine A—komt zowel in groene groente voor (de buitenste bladeren bevatten de meeste caroteen, de binnenste witte bladeren weinig) als in gele en oranje groente en fruit, met name in wortelen. Het verhaaltje dat konijnen wortelen eten om beter te kunnen zien, bevat dus een kern van waarheid! Rode en bleke plantedelen, zoals asperges, bloemkool, witlof, bleekselderij, rode bieten, tomaten en rode kool, bevatten géén caroteen. Ook plantaardige olie bevat geen vitamine A of caroteen, met uitzondering van de rode palmolie die geproduceerd wordt in West-Afrika en Maleisië.

Hoeveel vitamine A heeft de mens nodig?

De vitamine A in ons lichaam is óf direct afkomstig van vitamine A óf indirect uit caroteen, reden waarom de aanbevolen hoeveelheden voor beide stoffen worden aangegeven. Door de Commissie Voedingsnormen van de Nederlandse Voedingsraad wordt voor volwassenen een dagelijkse hoeveelheid van 0,45 mg vitamine A en 2,40 mg caroteen uit voeding aanbevolen. Met deze hoeveelheden kan de mens normale vitamine A-waarden in het bloed handhaven. Wat betekenen deze cijfers nu voor onze voeding? Wanneer wij dagelijks melk, boter/margarine of halvarine en kaas op het brood eten, krijgen we genoeg vitamine A binnen. Een ruime portie groente en één vrucht per dag zorgen voor voldoende caroteen.

Wanneer melk vervangen wordt door karnemelk of magere melkproducten en boter, margarine en halvarine uit het dagmenu worden geweerd, is het belangrijk gebruik te maken van een ruime portie groene groente én wortelen.

Zwangere vrouwen die zich goed voeden hebben geen extra vitamine A nodig. Wanneer de vrouw borstvoeding wil geven is het voor de zoogperiode wel aan te raden extra vitamine A te nemen. Dat kan door extra caroteen in de vorm van groente en fruit, of in de vorm van vitamine A/D-preparaten.

De vitamine A-behoefte van kinderen is afhankelijk van het lichaamsgewicht. Zuigelingen tot een half jaar die borstvoeding of volledige zuigelingenvoeding krijgen, zoals Similac, Almi-ron M2, Frisolac, sma en andere, krijgen voldoende vitamine A binnen en hebben dus geen aanvulling nodig. Krijgen ze geen borstvoeding of volledige zuigelingenvoeding dan is aanvulling wél nodig. Die kan worden gegeven in de vorm van de gebruikelijke vitamine A/D-preparaten.

Kinderen van een half tot één jaar nemen genoeg vitamine A met hun voeding op; zij hebben geen extra dosis nodig. Alleen wanneer ze geen margarine, halvarine of boter en/of volle of halfvolle melk en melkproducten gebruiken, bestaat het risico van een tekort.

Vaak krijgen kinderen tot één jaar vitamine A/D-preparaten, zoals Davitamon of Dohufral AD. Deze preparaten dienen uiteraard in overleg met een arts te worden gebruikt. Kinderen boven de twaalf maanden hebben in principe géén extra vitamine A nodig.

Kans op een tekort

In Nederland is geen tekort aan vitamine A te verwachten, uitgezonderd bij bepaalde ziekten. Vitamine A kan in de lever worden opgeslagen en dit leverdepot beschermt de mens tegen een mogelijk tekort. In de klassieke proeven in Sheffield (1942-1944) bleek dat bij jongemannen die geen vitamine A en caroteen meer kregen, pas na twee jaar hiermee samenhangende verschijnselen optraden. Zij kregen onder andere last van schemerblindheid en huidafwijkingen.

Kans op een teveel

Te veel vitamine A komt bij een goed samengestelde voeding niet voor. Een eventueel teveel aan vitamine A wordt niet met de urine uitgescheiden maar blijft opgeslagen in de lever. Wanneer daar te veel vitamine A wordt opgeslagen, kunnen vergiftigingsverschijnselen optreden. In hoofdstuk 2, Ziekten van vroeger, hebben we al verteld hoe op Nova Zembla drie leden van de expeditie van Willem Barentsz een vitamine A-vergiftiging opliepen na het eten van ijsberelevers. ‘Baat het niet, dan schaadt het niet’ gaat voor vitamine A dus zeker niet op!

 
Relevante artikelen

Nog geen reacties geplaatst, wees de eerste.



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

MEDISCH VOORBEHOUD

De informatie op Menselijk Lichaam is géén medisch advies. Neem bij twijfel over gezondheid, behandeling of medicijnen altijd contact op met een arts, specialist of apotheker.

Meer informatie

Meld je aan voor de nieuwsbrief

Met het laatste nieuws en gezonde tips