Alles over jouw lichaam

Categorie: Skelet

Spierstelsel

Wanneer wij het menselijk skelet bekijken, constateren wij dat elk van de meer dan 200 beenderen, hoe verschillend van vorm of grootte ook, steeds slechts een schakel van een lange ketting is. De ingenieuze opbouw van de beenderen met hun bijzondere structuur en met een nuttige verbinding met andere beenderen, maken het skelet tot wat het is: een doelmatige, functionele eenheid, waarvan de onderdelen goed op elkaar afgestemd zijn! Deze eenheid kan niet functioneren zonder de hulp van spieren en banden.

spierstelsel

spierstelsel

Deze spieren en banden, die vaak tot grotere spiergroepen zijn samengevoegd, werken met elkaar samen. Ze worden ook wel ”spierbundels“ genoemd. Samen met de gewrichten en de beenderen zorgt het spierstelsel ervoor dat de mens zeer complexe bewegingen kan uitvoeren en geeft ook kracht en uithoudingsvermogen aan de mens.

spierstelsel

spierstelsel

Naast beenderen, gewrichten en het spierstelsel, zijn natuurlijk ook onder andere de hersenen , de zenuwen en de zintuigen hierbij betrokken. Het menselijk lichaam bestaat uit meer dan 600 spieren. Het samentrekken van de diverse spieren zorgt voor alle lichaamsbewegingen, van zitten tot rennen en tillen. Zelfs de subtiele veranderingen van de gelaatsuitdrukking worden veroorzaakt door kleine aanpassingen van de aangezichtsspieren.

Spieren werken door samentrekken en ontspannen. Gedurende de samentrekking verkorten ze hun lengte om zo het bot dichter bij hun bevestigingspunten op twee verschillende botten te brengen. Elke spierbeweging is dan ook een trekbeweging. De trekbeweging wordt uitgevoerd door de vezels en fibrillen van de spier. Alle skeletspieren bestaan uit kleine vezels. De vezels hebben een cilindrische vorm, zijn enige centimeters lang en worden in secties verdeeld door regelmatige banden, ook wel striae genaamd.

De vezels zijn opgebouwd uit vele cilindrische eenheden die fibrillen worden genoemd. Dit zijn de structuren die daadwerkelijk samentrekken. Spiervezels kunnen 30 tot 40% korter worden tijdens een samentrekking. Fibrillen bestaan uit twee soorten eiwit: actine en myosine. Deze proteïnen bestaan uit langgerekte filamenten. De filamenten die uit myosine bestaan zijn dikker dan de actinefilamenten.

Deze filamenten grijpen in elkaar en kunnen over elkaar heen glijden om zo de lengte van de spier in te korten. Als de spier gestrekt wordt, worden de filamenten uit elkaar getrokken. Tijdens het korter worden, het samentrekken van de spier, worden ze korter door over elkaar heen te glijden. Het blijkt dat, wanneer spieren samentrekken, er verscheidene kruisverbindingen worden gemaakt tussen de actine- en myosinefilamenten. Door het proces van het maken en verbreken van deze kruisverbindingen bewegen de beide filamenten naar elkaar toe, en vanwege dit bijzonder snelle proces wordt de spier korter.

et spier- en skeletstelsel bestaat uit spieren, botten en gewrichten. In het menselijk lichaam bevinden zich meer dan 600 spieren en 200 botten. Het spier- en skeletstelsel is het raamwerk van het lichaam en stelt het lichaam in staat zich te bewegen. Ook beschermt het het lichaam en geeft het het lichaam vorm. Naast botten en spieren, bestaat het systeem uit bindweefselbanden, pezen en kraakbeen. Tijdens een medisch onderzoek van het spier-skeletstelsel kijkt een arts naar spierkracht, spiertonen en spieromvang en symmetrie in spierontwikkeling. Bij de botten wordt gekeken naar de vorm en gewrichten worden onderzocht op gevoeligheid, zwellingen, verdikkingen, de aanwezigheid van knobbeltjes en bewegingsbereik. Het lichaamspostuur wordt zowel staand als zittend onderzocht.

spierstelsel

spierstelsel

Onderzoek naar spierkracht:
1. Deltaspier: De patiënt houdt zijn arm horizontaal terwijl de arts probeert die naar beneden te drukken.
2. Biceps: De patiënt strekt beide armen uit en probeert ze te buigen terwijl de arts probeert ze in horizontale positie te houden.
3. Triceps: De patiënt buigt de armen en probeert ze dan te strekken terwijl de arts probeert de arm in gebogen positie te houden.
4. Pols- en vingerspieren: De patiënt spreidt zijn vingers en de arts probeert ze samen te drukken.
5. Grijpkracht: De patiënt pakt de middel- en wijsvinger van de arts terwijl de arts probeert zijn vingers los te trekken.
6. Heupspieren: De patiënt strekt een been uit en de arts probeert het naar beneden te drukken.
7. Hamstrings: De patiënt buigt in liggende positie beide knieën en probeert ze gebogen te houden terwijl de arts probeert de benen te strekken.
8. Quadriceps: De arts probeert de knieën van de patiënt te buigen terwijl de patiënt geknield zit, met één knie licht vooruitgestoken.
9. Enkel- en voetspieren: De patiënt probeert de poging van de arts om de voet naar achteren te buigen te weerstaan en probeert vervolgens het weer terugbuigen te weerstaan.

Nog geen reacties geplaatst, wees de eerste.



Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*