Voorkomen van infecties

Het voorkomen van infecties kan op diverse manieren worden gerealiseerd. Een van de manieren is een goede hygiëne en verzorging, zoals het wassen van de handen, schoonmaken en bedekken van snij- en schaafwonden, laten behandelen van wonden door een arts en een halfjaarlijkse gebitscontrole door een tandarts. Het lichaam zelf bestrijdt infecties door het aanmaken van antistoffen die de infectieveroorzakende organismen vernietigen. Het kunstmatig toedienen van antistoffen tegen een bepaalde ziekte wordt immunisatie (actief of passief) genoemd. Bij een actieve immunisatie worden antistoffen geproduceerd als reactie op antigenen die opzettelijk in het lichaam zijn ingespoten. Bij een passieve immunisatie worden kant-en-klare antistoffen tegen een bepaald organisme in het lichaam ingespoten.

Het voorkomen van infecties

Antistoffen

Als mogelijk gevaarlijke, lichaamsvreemde stoffen het lichaam binnendringen, reageert het lichaam hierop door antistoffen aan te maken. Een antistof is een chemische samenstelling, een eiwit, dat zich verenigt met een bepaalde lichaamsvreemde stof en deze stof vervolgens onschadelijk maakt. De lichaamsvreemde stof die de vorming van specifieke antistoffen ten gevolge heeft, wordt antigeen genoemd. Het bloed van een volwassen mens bevat tienduizenden antistoffen voor allerlei antigenen en met elkaar vormen deze een aparte groep proteïnen die immunoglobinen worden genoemd. Als reactie op een antigeen kunnen lymfocyten (B-lymfocyten) antistofmoleculen van vijf klassen immunoglobinen produceren. Deze vijf klassen worden aangeduid met de letters G, A, M, D en E en worden gewoonlijk als volgt geschreven: IgG, IgA, IgM, IgD en IgE.

IgM: de aanwezigheid van IgM in een laboratoriumtest wijst op een infectie. IgM is vooral een antistof van het bloed en is de eerste antistof die wordt geproduceerd als reactie op een antigeen. IgM biedt een vroege immuniteitsreactie, stimuleert de opname door macrofagen en dient als de isoantistoffen van de bloedgroepen A, B en O en als antistoffen tegen ernstige infecties. Deze antistof reageert ook op een kunstmatige immunisatie.

IgG: de aanwezigheid van IgG in een laboratoriumtest wijst op een oude infectie en de immuniteit die daarvan het gevolg is. De antistof IgG bestaat uit twee delen. Het ene deel bindt zich aan antigenen en het andere deel bindt zich aan de andere cellen van het immuniteitssysteem. Deze andere cellen zijn de witte cellen die fagocyten (vreetcellen) worden genoemd. Deze fagocyten omsluiten de micro-organismen die het antigeen met zich meedragen. Fagocytische bloedcellen vormen de voornaamste verdediging tegen infecties. Als de ziekte zich ontwikkelt, komen er antistoffen tegen het antigeen in het bloed. Tegen de tijd dat de patiënt beter wordt, bevat het bloed een groot aantal antistoffen. De IgG-antistoffen verhogen de snelheid van de fagocytose (de vernietiging van de binnengedrongen bacteriën), zijn nadrukkelijk aanwezig in het bloed en vormen een belangrijke antistof in weefselholten. IgG-antistoffen neutraliseren bacteriologische gifstoffen en bezitten antivirale en enkele antibacteriële werkingen. Het is de enige antistof die door de placenta komt en de foetus beschermt.

IgA: de antistof IgA huist in het epitheel van slijmvliescellen. Deze antistof wordt in groten getale in het spijsverteringskanaal gevonden en komt ook voor in tranen, speeksel, zweet, colostrum (moedermelk net na de geboorte) en moedermelk. IgA fungeert op bepaalde plaatsen waar de vreemde stoffen het lichaam kunnen binnendringen, zoals de ogen en de mond, als een barrière tegen deze micro-organismen. Ook de slijmvliezen van het spijsverteringskanaal en de luchtwegen worden door deze antistof beschermd. Deze stof dringt cellen binnen om de lichaamsvreemde stoffen te bestrijden.

IgD: de antistof IgD komt gewoonlijk alleen in hele kleine concentraties in het bloed voor. Men weet nog niet precies hoe deze antistof werkt.

IgE: de antistof IgE komt ook alleen in hele kleine concentraties in het bloed voor. Deze stof reageert voornamelijk op allergische reacties en overgevoeligheid. Allergenen die het lichaam binnendringen, prikkelen de productie van de antistof IgE. Deze antistof bedekt de witte bloedcellen (basofielen) in de huid en de bekleding van de maag, longen en de bovenste luchtwegen. Als het allergeen een tweede keer wordt opgemerkt, bindt deze stof zich aan de IgE-antistoffen met als gevolg dat de granula in de basofielen diverse chemische stoffen uitscheiden die verantwoordelijk zijn voor de allergische symptomen.


Relevante artikelen

Nog geen reacties geplaatst, wees de eerste.



Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

MEDISCH VOORBEHOUD

De informatie op Menselijk Lichaam is géén medisch advies. Neem bij twijfel over gezondheid, behandeling of medicijnen altijd contact op met een arts, specialist of apotheker.

Meer informatie

Meld je aan voor de nieuwsbrief

Met het laatste nieuws en gezonde tips