Aangezichtsligging

Met de term ‘aangezichtsligging’ wordt aangegeven dat het gezicht van het kind het kindsdeel is dat het diepst in het baringskanaal is doorgedrongen. Bij deze ligging is het gezicht dus het diepststaande of voorgaande deel.

De aangezichtsligging is voor de baring veel ongunstiger dan de achterhoofdsligging omdat bij de aangezichtsligging de geboorte meestal aanmerkelijk langer duurt, waardoor de kans op zuurstofnood voor de baby groter wordt. De kindersterfte bij de geboorte in aangezichtsligging wordt in verschillende statistieken anderhalf tot vijf maal hoger opgegeven dan de sterfte bij geboorte in achterhoofdsligging.

Aangezichtsliggingen. Links: kin links voor, dwz. Ook de frequentie van voorkomen van de aangezichtsligging wordt zeer verschillend opgegeven, namelijk i per 100 tot i per 300 bevallingen, dwz. tussen 1% en 1/3%.

Bij de aangezichtsligging is het hoofdje van het kind maximaal achterovergebogen (gedeflecteerd) ten opzichte van de romp. Bij de deflexieligging is de schedel dus niet naar de borst toe gebogen. De romp vertoont, evenals de schedel, een tegenovergestelde buiging. Het achterhoofd wordt, doordat het zich aan de vorm van het baringskanaal moet aanpassen, uitgerekt zodat het als het ware tussen de schouderbladen wordt gedrongen. De diagnose aangezichtsligging kan door middel van zowel uitwendig als inwendig onderzoek van de moeder worden gesteld. Bij het uitwendig onderzoek zal in de eerste plaats het sterk uitstekende (prominerende) achterhoofd van het kind opvallen, dat als een groot en hard, uitpuilend deel boven het schaamdeel voelbaar is. In de tweede plaats kan de arts bij nauwkeurig onderzoek vaak een diepe insnijding tussen hoofdje en rug van het kind voelen, de zgn. halsgroeve. In de derde plaats zijn de harttonen van het kind het duidelijkst te horen aan de buikzijde van het kind, dit in tegenstelling tot de bevindingen bij alle andere liggingen (uitgezonderd de voorhoofdsligging) waarbij de harttonen juist aan de rugzijde van het kind het duidelijkst waarneembaar zijn.

Bij het inwendig onderzoek zijn bij de aangezichtsligging de kin enerzijds en de oogkas randen anderzijds voelbaar. De bekkenas verloopt hier tussenin. De kin is bij de aangezichtsligging het aanwijspunt, dwz. door vast te stellen waar de kin van het kind in het baringskanaal staat, geeft men de stand van het hoofd aan. Met de wijzers van de klok meegaand, kan bij de aangezichtsligging de kin zich in de volgende standen bevinden: voor, links voor, links dwars, links achter, achter, rechts achter, rechts dwars en rechts voor.

Bij een geboorte in aangezichtsligging staat in bijna alle gevallen de kin voor, waardoor de bevalling in overgrote meerderheid van de gevallen spontaan kan verlopen. In uiterst zeldzame gevallen staat bij de aangezichtsligging de kin achter. In dat geval is een spontane baring onmogelijk.

aangezichtsligging

Daar bij de aangezichtsligging mond en kin het diepst staan, is deze stand van het hoofd veel gunstiger dan die bij de voorhoofdsligging. In de meeste gevallen verloopt de uitdrijving van het kind spontaan. De kin draait daarbij naar voren: de zgn. spildraai. Zoals bij het trefwoord Baring wordt besproken verschijnt na de spildraai het gehele aangezicht in de schaamspleet (vulva) en na korte tijd komt het hoofd naar buiten. De ouders schrikken nogal eens van een kind dat zo geboren is, omdat het hoofd wordt ontsierd door een zwelling van het gezicht. Dit is een onschuldige vochtophoping die geboortege-zwel of caput succedaneum wordt’ genoemd. Na één of twee dagen is het verdwenen.

Een ziektebeeld dat hier veel op lijkt is een bloedophoping onder het vlies van de botstukken van het schedeldak. Dit mag niet worden verward met het geboortegezwel. Zo onschuldig als een geboortegezwel is, zo ernstig kan een bloedophoping onder het beenvlies zijn.

In de periode rond de geboorte tot nog enkele maanden daarna kan het beenvlies gemakkelijk van het bot losraken. Bij de geboorte in aangezichtsligging bestaat er altijd kans op scheuren van een van de tere bloedvaten die tussen het bot en het beenvlies zijn gelegen. De bloedophoping treedt niet direct na de baring op maar ontwikkelt zich in het algemeen langzaam. Een kenmerkend verschil met het geboortegezwel is dat de bloedophoping niet binnen één tot twee dagen is verdwenen. Ook breidt deze laatste aandoening zich nooit uit over een naad of fontanel, wat een geboorte-gezwel wel doet. Indien eenmaal is vastgesteld dat de bloedophoping zich tussen beenvlies en bot bevindt en er geen sprake is van een hersenbloeding, dan behoeven de ouders zich geen zorgen te maken. De aandoening verdwijnt bijna altijd spontaan, hoewel dit soms maanden kan duren.

Relevante artikelen

Nog geen reacties geplaatst, wees de eerste.



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

MEDISCH VOORBEHOUD

De informatie op Menselijk Lichaam is géén medisch advies. Neem bij twijfel over gezondheid, behandeling of medicijnen altijd contact op met een arts, specialist of apotheker.

Meer informatie

Meld je aan voor de nieuwsbrief

Met het laatste nieuws en gezonde tips