Rechten en plichten van de hulpverlener

In het kort gaan we ook op de rechten en plichten van de hulpverlener in.

Eerst zijn rechten. Een hulpverlener hoeft niet klakkeloos te doen wat een patiënt wil; hij heeft het recht zijn eigen beslissingen te nemen gebaseerd op zijn professionele standaard. Als hij vindt dat een bepaalde medische ingreep niet nodig is, hoeft hij deze niet uit te voeren. Op zijn beurt mag een hulpverlener de relatie met u beëindigen, omdat hij er bijvoorbeeld mee ophoudt of vindt dat er niet meer voldoende vertrouwen tussen u en hem is. Wel moet hij daarvoor dan een goede reden hebben en natuurlijk mag uw gezondheid er niet door in gevaar komen (een chirurg kan niet midden in een operatie weglopen). Als hij de relatie met u beëindigt, moet hij u dat tijdig vertellen, zodat u de tijd heeft een ander te vinden. En bij dat vinden moet hij u eventueel helpen. Zolang u nog niemand anders heeft, hoort hij door te gaan met u te behandelen.

Zijn belangrijkste plicht is het verlenen van goede zorg. Verder moet hij zich aan de wettelijke voorschriften houden en u dus informeren, uw toestemming vragen, inzage geven in uw dossier en uw privacy respecteren. In het verlengde van dat laatste ligt de geheimhoudingsplicht die voor alle hulpverleners in de gezondheidszorg geldt. Een hulpverlener mag geen informatie over u doorgeven aan anderen, ook niet aan bijvoorbeeld uw partner (zelfs niet in het geval van een geslachtsziekte). Hij mag dit alleen als u daarvoor toestemming heeft gegeven.

Resultaat of inspanning?

Belangrijk om te weten – zeker bij een klacht – is dat een medisch hulpverlener in het algemeen een inspanningsverbintenis heeft. Dat wil zeggen dat hij zijn best moet doen, maar dat hij een gunstig resultaat niet kan garanderen. Dat betekent dat u bij een medisch-inhoudelijke klacht moet bewijzen dat hij zijn best niet heeft gedaan en dat u daardoor schade heeft ondervonden, en dat zal niet zo makkelijk zijn. Tegenwoordig wordt de bewijslast in medische zaken soms wél bij de hulpverlener gelegd, omdat hij de deskundige is (omkering van de bewijslast).

Alleen bij eenvoudige, routinematige handelingen, zoals het vullen van een kies, is er sprake van een resultaatsverbintenis. In dat geval hoeft u als patiënt niet te bewijzen dat hij ondermaats werk heeft geleverd; de wanprestatie spreekt dan uit de feiten, uit het niet behaalde resultaat.

Beroepscodes en andere regels

Een hulpverlener heeft niet alleen met de WGBO te maken. Veel beroepsgroepen in de gezondheidszorg hebben een beroepscode en/of gedragsregels opgesteld, waaraan de individuele hulpverlener zich moet houden. Zo zijn er de ‘Gedragsregels voor artsen’ en de richtlijnen inzake het omgaan met medische gegevens’ van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG), de ‘Beroepscode voor psychologen’, de ‘Beroepscode voor hen die beroepsmatig werkzaam zijn op het terrein van de verpleging’ en de ‘Gedragsregels voor fysiotherapeuten’ van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF).

Beroepscodes omvatten de ethische en praktische normen en beginselen over wat binnen een bepaald beroep hoort te worden gedaan en te worden nagelaten jegens de patiënt, collega-beroepsbeoefenaren en anderen. Gedragsregels zijn richtlijnen voor wat in die beroepsgroep en de maatschappij wordt beschouwd als goed professioneel gedrag. Een hulpverlener kan hiervan wel afwijken, maar dat zal hij dan moeten kunnen verantwoorden.

In dezelfde sfeer liggen de modelregelingen inzake de rechten van de patiënt die de Nederlandse Patiënten/Consumenten Federatie (NPCF, zie ook par. 3.3.7) heeft afgesloten met respectievelijk de beroepsorganisaties van artsen, fysiotherapeuten en apothekers. Deze modelregelingen kunt u zien als een advies aan de leden van deze organisaties en komen wat hun inhoud betreft sterk overeen met de WGBO.

En natuurlijk hoort een hulpverlener te voldoen aan de technische normen en regels van zijn vak. De op dat moment binnen een vakgebied aanwezige kennis bepaalt daarbij of een diagnose goed gesteld is, of een behandeling juist is uitgevoerd enzovoort. Voor bepaalde beroepen worden de opleidingseisen zelfs wettelijk vastgelegd in het kader van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG, zie par. 1.4.3).

Verder bestaan er binnen bepaalde beroepsgroepen standaarden, richtlijnen en protocollen waarmee een hulpverlener te maken heeft. We hebben het dan over een bijzondere groep van vakinhoudelijke, technische regels. De hulpverlener kan aan de hand van deze richtlijnen nagaan welke procedures en welke technisch-inhoudelijke aspecten bij een bepaalde situatie/aandoening door hem horen te worden nagelopen. Bekend zijn bijvoorbeeld de standaarden van het Nederlands Huisartsengenootschap.

Er zijn ook standpunten en rapporten van de beroepsgroep over ethisch moeilijke kwesties waarover nog geen algemeen aanvaarde opvatting bestaat, zoals euthanasie. Zij geven aan welk handelen in deze omstreden situaties gelegitimeerd zou kunnen zijn, zonder de hulpverlener tot dat handelen gehouden te achten.

Tot slot kan een hulpverlener ook te maken krijgen met richtlijnen die door de Inspectie voor de gezondheidszorg zijn uitgevaardigd. Zulke richtlijnen zijn niet bindend, maar gelden wel als een zwaarwegend advies.


Relevante artikelen

Nog geen reacties geplaatst, wees de eerste.



Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

MEDISCH VOORBEHOUD

De informatie op Menselijk Lichaam is géén medisch advies. Neem bij twijfel over gezondheid, behandeling of medicijnen altijd contact op met een arts, specialist of apotheker.

Meer informatie

Meld je aan voor de nieuwsbrief

Met het laatste nieuws en gezonde tips