AWBZ Algemene wet bijzondere ziektekosten

Via de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) zijn dus alle Nederlandse ingezetenen (in beginsel degenen die in Nederland wonen) verplicht verzekerd. Inschrijving vindt automatisch plaats via de ziekenfonds- of particuliere ziektekostenverzekeraar; wie niet ziekenfonds- of particulier verzekerd is, moet zich apart aanmelden bij een door de overheid aangewezen ziektekostenverzekeraar.

Vaak zijn ook verzekerd degenen die naar het buitenland zijn vertrokken en een uitkering ontvangen op grond van bijvoorbeeld de AOW of WAO; zij dienen wel ingeschreven te (blijven) staan bij een in Nederland werkend AWBZ-uitvoeringsorgaan (de zorgverzekeraar).

Op grond van de AWBZ hebben verzekerden recht op bepaalde verstrekkingen. Welke dat zijn, kan van jaar tot jaar verschillen. De afgelopen jaren laten een pendelbeweging zien van voorzieningen die naar de AWBZ werden overgeheveld en daarna teruggingen naar de ziekenfondsverzekering of de particuliere ziektekostenverzekering.

Voorzieningen waar in 1998 recht op bestaat via de AWBZ zijn (onder andere):

langdurig verblijf in een ziekenhuis op basis van derde klasse (pas vanaf de 366e dag; de eerste 365 dagen vallen onder het ziekenfonds of de particuliere verzekering);
opname en verblijf in een inrichting (zoals verpleeghuizen, psychiatrische verpleeghuizen);
algemene thuiszorg, zoals verpleging thuis, gezinsverzorging, bruikleen van verpleegartikelen;
hulp van een RIAGG en niet-klinische psychiatrische hulp;
vaccinaties.

Deze verstrekkingen op basis van de AWBZ zijn uitgewerkt in besluiten en regelingen, zoals het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering en het Bijdragebesluit Zorg.

Uw rechten op AWBZ-verstrekkingen kunnen worden waargemaakt via uw ziektekostenverzekeraar, dus ziekenfonds, ambtenarenvoorziening of particuliere maatschappij.

Voorwaarden. Een voorwaarde om voor uitkering in aanmerking te komen, is dat u gebruikmaakt van een instelling/hulpverlener waarmee een overeenkomst gesloten is. Vraag hier voor de zekerheid altijd naar bij de instelling of hulpverlener of bij uw zorgverzekeraar.

Diverse verstrekkingen kennen nog andere voorwaarden, vooral in de sfeer van eigen-bijdrageregelingen. Zo betalen bewoners van verpleeghuizen – en sinds begin 1997 óók van verzorgingshuizen – die nog een inkomen hebben uit arbeid en/of aanvullende uitkeringen, volgens de nieuwe maatregel ‘Harmonisatie eigen bijdrage AWBZ’ de eerste zes maanden van hun verblijf een inkomensafhankelijke bijdrage. Daarna betalen zij de eveneens inkomensafhankelijke bijdrage die geldt voor mensen die duurzaam in een verpleeg- of verzorgingshuis zitten. Voor echtparen is de regeling enigszins anders. De nieuwe maatregel is begin 1997 ingegaan; voor mensen die voor deze datum al in een AWBZ-instelling zaten, geldt een overgangsperiode tot 2000.

De regeling voor thuiszorg kent een entreebijdrage. Daarvoor heeft u recht op de voorzieningen van gezinsverzorging, wijkverpleging en gebruik van hulpmiddelen. Daarnaast bestaat er voor de gezinsverzorging een eigen bijdrage die afhankelijk is van het inkomen.

Heeft u het entreetarief niet betaald, dan worden u hogere eigen bijdragen berekend.

Thuiszorginstellingen bieden los van het voorgaande ook niet-wettelijke voorzieningen (bijvoorbeeld een antirookcursus), waarvoor ze een extra bijdrage vragen.

Premie. De premie wordt op uw loon ingehouden en bedraagt een percentage ervan, namelijk 9,6% (1998), geheven over alleen de eerste belastingschijf na aftrek van de belastingvrije som. Uw belastingvrije som is afhankelijk van de tariefgroep waarin u valt. De meeste mensen vallen in tariefgroep 2.

– Tariefgroep 1: Deze tariefgroep heeft helemaal geen belastingvrije som. U valt in deze tariefgroep als u uw belastingvrije som heeft overgedragen of meer werkgevers had en u voor de loonbelasting bij één werkgever in tariefgroep 1 werd geplaatst.

– Tariefgroep 2: Dit is de standaardtariefgroep. U valt niet in deze groep als u uw belastingvrije som heeft overgedragen of als u recht heeft op de (aanvullende) aftrek voor alleenstaande ouders.

– Tariefgroep 3: U valt in deze tariefgroep als u tevens aanspraak kunt maken op de basisaftrek van uw echtgenoot of ongehuwde partner.

– Tariefgroep 4: In deze tariefgroep heeft u recht op een extra aftrek voor alleenstaande ouders onder de volgende voorwaarden: u voerde in 1997 als alleenstaande ouder gedurende meer dan zes maanden een huishouding met ten minste één eigen, stief- of pleegkind, dat op 1 januari 1997 ouder was dan 27 jaar, én u onderhield dat kind daarbij in belangrijke mate, dat wil zeggen voor ten minste ƒ56 per week.

– Tariefgroep 5: In deze tariefgroep heeft u onder bepaalde voorwaarden recht op een extra aanvullende aftrek voor alleenstaande ouders.

Aanvullende verstrekkingen. We hebben het tot nu toe gehad over voorzieningen die rechtstreeks vanuit de AWBZ voor verstrekking in aanmerking komen. Via subsidieregelingen kunnen ook (al dan niet tijdelijk) aanvullende verstrekkingen worden verleend. Zo zijn er regelingen opgezet voor bijvoorbeeld abortus in een abortuskliniek, dagverpleging in of door een instelling voor verstandelijk gehandicapten en verblijf in een gezinsvervangend tehuis voor lichamelijk of geestelijk gehandicapte kinderen. Aan deze subsidieregelingen kunnen weer nadere voorwaarden vastzitten, zoals een eigen-bijdrageregeling.


Relevante artikelen

Nog geen reacties geplaatst, wees de eerste.



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

MEDISCH VOORBEHOUD

De informatie op Menselijk Lichaam is géén medisch advies. Neem bij twijfel over gezondheid, behandeling of medicijnen altijd contact op met een arts, specialist of apotheker.

Meer informatie

Meld je aan voor de nieuwsbrief

Met het laatste nieuws en gezonde tips