Medische Terminologie

A

Aambei: Opgezwollen ader in en rond de anus die kan bloeden.

 

Abces: Een plaatselijke vorming van pus in een holte door de verweking of verdringing van weefsel als gevolg van een bacteriële infectie.

Abortus: Het eindigen van een zwangerschap door spontane uitdrijving van de foetus uit de baarmoeder voordat hij levensvatbaar is, gewoonlijk voor de twintigste week van de zwangerschap.

Abrasie: Een plek waarvan de huid of het slijmvlies is afgeschuurd (schaafwond); of de normale slijtage van tandglazuur door het kauwen.

Acuut: Term die gebruikt wordt om stoornissen of verschijnselen te beschrijven die zich plotseling voordoen of stoornissen of symptomen die van korte duur zijn; het tegenovergestelde van chronisch.

Adhesie: Een vergroeiing tussen twee oppervlakken, zoals bij een wond die geneest.

Adrenaline en Noradrenaline: Natuurlijke hormonen die de hartfrequentie en bloeddruk verhogen en andere lichaamsfuncties beïnvloeden (soms epinefrine en norepinefrine genoemd).

Aëroob: De aanwezigheid van zuurstof vereisend. Aerobics, bijvoorbeeld, is intensief en vereist een verhoogd zuurstofverbruik. Zie ook Anaëroob.

Afasie: Verlies van het spraakvermogen of van het vermogen gesproken taal te begrijpen, ten gevolge van een hersenbeschadiging.

Afstoting: Weigering om te accepteren, zoals bij een getransplanteerd orgaan.

Albumine: Een eiwit dat veel voorkomt in dierlijke en plantaardige weefsels; de aanwezigheid van albumine in de urine is vaak één van de tekenen van nierziekte.

Aldosteron: Bijnierhormoon dat het verbruik van natrium, chloor en kalium in het lichaam beïnvloedt.

Allergeen: Stof die een allergische reactie veroorzaakt. Veel voorkomende allergenen zijn de vacht van dieren, huisstofmijten, pollen en bepaalde soorten voedsel.

Allergie: Een overmatige reactie op een stof of prikkel die veroorzaakt wordt door het vrijkomen van histamine of histamine-achtige stoffen in de aangedane cellen. Mogelijke symptomen zijn rode uitslag, verstopte neus, astma en soms shock. Zie ook Histamine.

Alveolen: Longblaasjes. Microscopisch kleine luchtblaasjes in de long waar uitwisseling van gassen plaatsvindt. Ook tandkassen; holten in de boven- en onderkaak waarin de tanden bevestigd zijn.

Amandelen: Twee organen van lymfatisch weefsel die aan beide zijden in het achterste gedeelte van de keel liggen en een rol spelen bij het filteren van ongewenste bacteriën.

Amaniet paddestoelen: Een groep paddestoelen waarvan de meeste zeer giftig zijn als ze gegeten worden.

Ambulant: In staat om te lopen.

Aminozuur: Een stikstofbevattende component van eiwit. Het lichaam produceert vele aminozuren; degene die het lichaam nodig heeft, maar niet zelf kan maken, heten essentiële aminozuren en moeten via het voedsel worden opgenomen.

Amnesie: Geheugenverlies.

Amputatie: Het afzetten of verwijderen van een ledemaat of ander lichaamsdeel.

Anaëroob: In staat om zonder zuurstof te leven, zoals bepaalde bacteriën. Ook, een vorm van lichaamsbeweging die bestaat uit korte en intensieve activiteiten waarbij weinig of geen zuurstof wordt gebruikt. Zie ook Aëroob.

Anafylaxie: Een onmiddellijke en soms levensgevaarlijke overgevoeligheidsreactie. Mogelijke symptomen zijn shock, ademhalingsmoeilijkheden, jeuk en netelroos, stuiptrekkingen en coma. Zie Shock.

Androgeen: Een hormoon, zoals testosteron en androsteron, dat verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van de mannelijke kenmerken. Androgeen wordt geproduceerd in de testikels van de man en komt in kleine hoeveelheden ook bij vrouwen voor.

Anemie: Bloedarmoede. Stoornis die gekenmerkt wordt door een verminderd aantal rode bloedcellen of een verminderde hoeveelheid hemoglobine of minder bloed.

Anesthesie: Geheel of gedeeltelijk verlies van gevoel of van gewaarwording dat soms samengaat met verlies van bewustzijn. Lokale anesthesie kan worden verkregen door injectie of plaatselijk gebruik van verdovende middelen. Algehele anesthesie, waarbij er sprake is van bewustzijnsverlies, wordt verkregen door inhalatie of injectie van verdovende stoffen in de spieren of in de bloedstroom.

Aneurysma: Een zakvormige zwelling of uitpuiling van een bloedvat, meestal een slagader.

Angina pectoris: Herhaaldelijk terugkerende pijn op de borst door een tijdelijk ontoereikende bloedtoevoer naar het hart.

Angio-edema: Allergische zwelling van de slijmvliezen, onderhuidse weefsels of van een inwendig orgaan.

Anorexia: Verlies van eetlust, vaak ten gevolge van depressie, koorts en ziekte, uitgezaaide kanker of verslaving aan alcohol of drugs.

Anorexia nervosa: Verlies van eetlust dat veroorzaakt wordt door een psychische stoornis; het komt het meest voor bij jonge vrouwen tussen de 12 en 21 jaar en kan leiden tot ernstig gewichtsverlies en zelfs tot de dood.

Antidotum: Tegengif. Stof die de uitwerking van een gif neutraliseert.

Antigeen: Lichaamsvreemde stof die de vorming van antistoffen veroorzaakt.

Antistof: Eiwit van het immuunsysteem dat vreemde stoffen, antigenen genoemd, bestrijdt of onschadelijk maakt.

Anus: Uitgang van de endeldarm waarlangs de ontlasting het lichaam verlaat.

Aorta: De grootste lichaamsslagader; via de aorta wordt het bloed van de linkerkamer van het hart over het lichaam verspreid.

Aplasie: Stilstand van de ontwikkeling van een weefsel of een orgaan of onvolkomen ontwikkeling.

Apnoe: Tijdelijk stoppen van de ademhaling.

Areola: Gepigmenteerde hof rondom de tepel.

Aritmie: Onregelmatige hartslag.

Arteria carotis: Halsslagader. De grootste slagader in de hals die het bloed naar het hoofd en de hersenen voert.

Arterie: Slagader. Bloedvat dat het bloed van het hart afvoert naar andere lichaamsweefsels.

Arteriole: Kleine slagader die een grote slagader met een haarvat verbindt.

Arteriosclerose: Aandoening waarbij de wanden van de slagaders hard en dik worden. Soms verstoort arteriosclerose de bloedsomloop.

Artroplastiek: Het operatief vervangen of repareren van een gewricht.

Asfyxie: Verstikking door gebrek aan zuurstof.

Aspiratie: Het opzuigen van vloeistoffen uit holten, zoals de neus, keel of longen; of het inademen van vloeistoffen in de longen, zoals water bij verdrinking of de inhoud van de maag bij overgeven.

Astma: Aandoening die gekenmerkt wordt door een verminderde doorgankelijkheid van de bronchiën waardoor piepen, hoesten en moeilijke ademhaling wordt veroorzaakt.

Asymptomatisch: Zonder (ziekte)verschijnselen.

Ataxie: Coördinatiestoornis van de beweging van willekeurige spieren.

Atheroomkyste: Kyste die zich in een talgklier ontwikkelt.

Atherosclerose: Aandoening waarbij vetafzettingen zich ophopen aan de binnenzijde van de slagaders, met als gevolg smallere, minder flexibele doorgangen voor het bloed.

Atresie: Het ontbreken van een lichaamsopening bij de geboorte.

Atria: Holten of kamers, zoals de boezems van het hart, die bloed uit de aders ontvangen en het vervoeren naar de kamers (het enkelvoud is atrium).

Atrofie: Verkleining of verschrompeling van een orgaan of weefsel door ziekte of inactiviteit.

Aura: Een gewaarwording die voorafgaat aan een aanval van epilepsie of van migraine.

Auto-immuunreactie: Reactie van het lichaam tegen een of meer eigen lichaamsweefsels die als lichaamsvreemde stoffen beschouwd worden, het gevolg hiervan is de vorming van antistoffen tegen dat weefsel.

Autonoom zenuwstelsel: Gedeelte van het zenuwstelsel dat de onwillekeurige lichaamsfuncties reguleert.

Autopsie: Het onderzoeken van de weefsels en organen van het lichaam na overlijden.

Avulsie: Het door geweld afscheuren van een lichaamsdeel of van een weefsel, zoals een ledemaat of tand.

B

Baarmoeder: Het vrouwelijke orgaan waarin de foetus zich ontwikkelt. Zie ook Uterus.

Bacteriën: Eencellige micro-organismen waarvan sommige ziekten veroorzaken en andere een positieve invloed hebben op biologische processen.

B-cel: Lymfocyt uit het beenmerg die als deel van het immuunsysteem actief is bij de vorming van antistoffen om infecties te bestrijden.

Beenmerg: Zacht weefsel dat zich in de holte van een bot bevindt en waarin de aanmaak van rode bloedcellen plaatsvindt.

Benigne: Goedaardig. In wezen ongevaarlijk. Niet progressief of terugkerend.

Beroerte: Ernstige aandoening die veroorzaakt wordt door een bloedstolsel dat in een slagader vast komt te zitten en de bloedtoevoer naar een gedeelte van de hersenen blokkeert. De symptomen van een beroerte variëren van verlamming van ledematen en verlies van spraak tot bewusteloosheid en dood. Soms kan een beroerte het gevolg zijn van een bloeding in het hersenweefsel.

Bestralingsbehandeling: Behandeling van een ziekte door gebruik te maken van stralen, zoals röntgenstralen, radiumstralen, ultravioletstralen en dergelijke.

Bevruchting: Het proces waarbij een spermacel en een eicel elkaar ontmoeten, gewoonlijk in de eileider.

Bewegingsapparaat: De spieren en het skelet.

Bijnieren: Endocriene klieren die een groot aantal hormonen produceren, waaronder adrenaline en noradrenaline en de corticosteroïde hormonen.

Bijwerkingen: Ongewenste veranderingen die veroorzaakt worden door geneesmiddelen of een behandeling. Bijwerkingen variëren van onbelangrijk en voorbijgaand (lichte hoofdpijn en een droge mond) tot ernstig (astma, maag-darmbloeding).

Bilirubine: Oranje of geelachtige kleurstof in de gal die het resultaat is van de afbraak van hemoglobine. Een overschot aan bilirubine veroorzaakt geelzucht.

Biofeedback: Gedragstrainingsprogramma waardoor iemand leert hoe hij autonome functies zoals hartfrequentie, bloeddruk, huidtemperatuur en spierspanning zelf kan beheersen.

Blaas: Vliezige holte die afscheidingsproducten bevat. Meestal wordt met de blaas de holte bedoeld waarin de urine wordt verzameld voor de lozing.

Blauwe plek: Verwonding waarbij de bloedvaten die onder de huid liggen stuk zijn gegaan en het bloed dat vrijkomt een verkleurde plek veroorzaakt.

Bloeddruk: Druk van het bloed op de wanden van de bloedvaten. Zie ook Diastole en Systole.

Bloedplaatje: Kleurloos, rond of ovaal schijfje in het bloed. Ook bekend als trombocyten, zijn bloedplaatjes noodzakelijk voor de bloedstolling.

Borstklier: Samengestelde klier in de borst die melk afscheidt.

Breukband: Een instrument dat gebruikt wordt om een hernia of orgaan op zijn plaats te houden.

Bronchiën: De twee grote luchtpijpvertakkingen (de linker en rechter bronchus) die van de luchtpijp naar de longen lopen (het enkelvoud is bronchus).

Bronchiolen: Een van de kleinere vertakkingen van een bronchus.

Buis van Eustachius: Buis die het middenoor verbindt met de keelholte.

C

Cachexie: Ondervoeding en sterke vermagering door ziekte.

Calcitonine: Een hormoon dat geproduceerd wordt door de schildklier en het calciumgehalte van het bloed beïnvloedt.

Calculus: Op een steen lijkende ophoping van minerale zouten in lichaamsdelen of op de tanden.

Calorie: De hoeveelheid warmte die nodig is om de temperatuur van 1 gram water met 1°C te verhogen.

Capillairen: Haarvaten. Minuscule bloedvaten die de kleinste slagaders met de kleinste aders verbinden.

Carcinogeen: Potentieel kankerverwekkende stof.

Cardiaal: Het hart betreffend.

Cardiopulmonaal: Het hart en de longen betreffend.

Cardiovasculair: Hart en bloedvaten betreffend.

Cariës: Tandbederf. Aantasting van tand of beenweefsel door bacteriën; ook bekend als tandwolf.

Cataract: Grijze staar. Troebeling van de ooglens waardoor het gezichtsvermogen vermindert.

Cerebellum: Kleine hersenen. Het gedeelte van de hersenen dat de motoriek coördineert.

Cerebrovasculair: De bloedvaten van de hersenen betreffend.

Cerebrum: Grote hersenen. Het grootste deel van de hersenen dat de twee hemisferen bevat; het cerebrum is verantwoordelijk voor het denken, het geheugen, de wil, de gevoelens en de willekeurige motoriek.

Cervix: De hals van een orgaan, zoals de baarmoederhals.

Chemotherapie: Behandeling van een ziekte door het gebruik van chemicaliën die een directe invloed hebben op het organisme dat de ziekte veroorzaakt of op de ziektecellen; chemotherapie wordt meestal gebruikt voor de behandeling van kanker.

Cholesterol: Vetachtige stof die geproduceerd wordt in de lever en aangetroffen wordt in het bloed, de hersenen, lever, gal en als afzetting in de wanden van bloedvaten. Cholesterol is essentieel voor de productie van geslachtshormonen. Het bevindt zich in voedsel van dierlijke herkomst en men veronderstelt dat het bijdraagt aan hartziekte als het gedurende lange tijd in grote hoeveelheden gegeten wordt.

Choroidea: Vaatvlies. Vlies van het oog dat zich bevindt tussen de harde oogrok en het netvlies. Samen met de iris en het ciliair lichaam vormt het de uvea.

Chromosoom: Een van de 46 staafvormige vormsels in de celkern die informatie dragen over erfelijkheid.

Chronisch: Term die gebruikt wordt om langdurige ziekten of stoornissen te beschrijven.

Chymus: Spijsbrij van gedeeltelijk verteerd voedsel en spijsverteringssappen dat zich bevindt in de maag.

Cilia: Wimpers, trilharen of andere haarachtige, uitstekende deeltjes aan de binnenzijde van de neus of bronchiën.

Claudicatio: Kramp in de kuitspieren tijdens lopen die veroorzaakt wordt door een inadequate bloedsomloop.

Clitoris: Klein, erectiel orgaan dat deel uitmaakt van de uitwendige vrouwelijke geslachtsorganen.

Clysma: Het inspuiten van vloeistof in de endeldarm en de karteldarm zodat de darmperistaltiek aangezet wordt en de darmen geleegd worden.

Coaguleren: Het stollen of veranderen van een vloeistof in een half vaste stof, zoals het geval is wanneer bloed stolt.

Cochlea: Slakkenhuis. Slakvormig buisje in het binnenoor dat de receptor voor het horen vormt.

Cognitief: Betrekking hebbend op het geestelijke denkproces, waaronder begrijpen, redenering, intuïtie en geheugen.

Coïtus: Geslachtsgemeenschap tussen een man en een vrouw waarbij de man zijn penis inbrengt in de vagina van de vrouw.

Collageen: Soort eiwit dat zich bevindt in de vezels van bindweefsels, zoals in de huid, gewrichtsbanden en in kraakbeen.

Colon: Karteldarm of dikke darm. Het gedeelte van de dikke darm dat van de dunne darm naar de anus loopt. Het colon onttrekt water aan onverteerd voedsel en slaat afvalstoffen op die door de darmperistaltiek uitgescheiden worden.

Colorectaal: Betrekking hebbend op de karteldarm en de endeldarm.

Colostrum: Biest. De dunne citroenkleurige vloeistof die geproduceerd wordt door de borsten van een moeder tijdens de eerste dagen na de bevalling. De antistoffen die het colostrum bevat zijn gezond voor baby’s.

Coma: Diepe bewusteloosheid als gevolg van een ziekte of ongeluk.

Conceptie: De bevruchting van een eicel door een zaadcel.

Congenitaal: Aangeboren. Term die gebruikt wordt om iets te beschrijven wat bij de geboorte al aanwezig was, vaak een abnormaliteit.

Congestie: Stuwing. De aanwezigheid van een overmaat aan bloed of vloeistof, zoals slijm, in een orgaan of weefsel.

Conjuctiva: Oogbindvlies. Doorzichtig vlies dat de binnenzijde van het ooglid en de voorkant van de oogbol bekleedt (behalve het hoornvlies).

Contractuur: Blijvende samentrekking of verkorting van een spier als gevolg van ziekte.

Contrastmiddel: Een gekleurde vloeistof die ondoorgankelijk is voor röntgenstralen en wordt ingenomen in het maag-darmkanaal of wordt geïnjecteerd in een bloedvat of in de met vocht gevulde ruimte rond het ruggenmerg, zodat röntgenfoto’s lichaamsstructuren kunnen weergeven die anders niet door röntgenonderzoek gezien kunnen worden.

Contusie: Blauwe plek, kneuzing.

Contusio cerebri: Hersenschudding. Tijdelijke verstoring van de hersenfuncties ten gevolge van een klap of val.

Convulsie: Stuipen. Een plotselinge aanval die meestal gekenmerkt wordt door bewustzijnsverlies en ernstige, aanhoudende, ritmische samentrekkingen van enkele of alle willekeurige spieren. Herhaalde convulsies zijn meestal een uiting van epilepsie.

Cornea: Hoornvlies. Doorschijnend deel van het oog waardoor de iris en de pupil gezien kunnen worden.

Coronair: Betrekking hebbend op de slagaders die de hartspier van bloed voorzien.

Corticosteroïden: Bijnierschorshormonen. Hormonen die geproduceerd worden door de schors van de bijnieren; ook kunstmatig geproduceerde hormonen die gebruikt worden als geneesmiddelen.

Cranium: Het gedeelte van de schedel dat de hersenen bevat.

Creatinine: Eén van de bestanddelen uit het bloed en de urine die geen eiwitten zijn. Creatinine wordt in te grote hoeveelheden aangetroffen in het bloed van mensen met nierinsufficiëntie.

Curettage: Uitkrabben van een holte, zoals de holte van de baarmoeder.

Cuspidatus: Tand met één knobbel die zich bevindt tussen de snijtanden en de bicuspidati (valse kiezen) vooraan in de mond. Ook wel hoektand genoemd.

Cyanose: Blauwzucht. Blauwe verkleuring van de huid als gevolg van een gebrek aan zuurstof in het bloed.

D

Darmen: Het gedeelte van het spijsverteringskanaal dat van de maag tot de anus loopt en verantwoordelijk is voor de opname van voedingsstoffen. Zie ook Colon, Duodenum, Ileum, en Jejunum.

Debiliteit: Toestand van geesteszwakte.

Dehydratie: Uitdroging door overmatig verlies van lichaamsvocht of ten gevolge van onvoldoende vochtinname.

Delirium: Toestand, meestal tijdelijk, van geestelijke verwarring die soms gekenmerkt wordt door een gestoorde spraak en vaak gepaard gaat met hallucinaties.

Dementie: Geestelijke aftakeling met een organische oorzaak.

Dentine: Tandbeen. Het weefsel van een tand dat zich onder het glazuur bevindt en de tandholte omgeeft.

Depressie: Een gevoel van extreem verdriet en ontmoediging. Verstoring van het slaap- en eetpatroon en gebrek aan energie kunnen ook voorkomen.

Dermatitis: Huidontsteking. Ontsteking van de huid die vaak gekenmerkt wordt door jeuk en roodheid.

Dermis: Lederhuid. De huidlaag onder de opperhuid.

Desoxyribonucleïnezuur (DNA): Een stof in de celkern die genetische en erfelijke informatie bevat.

Detoxicatie: Ontgifting. Het proces waarbij het lichaam gezuiverd wordt van een verslavend middel, bijvoorbeeld alcohol.

Dextrose (glucose): Een enkelvoudige suiker die zich in het bloed bevindt en een belangrijk bestanddeel van honing en glucosestroop vormt.

Diabetes mellitus: Suikerziekte. Stoornis die gekenmerkt wordt door een hoge bloedsuikerspiegel. Diabetes mellitus kan veroorzaakt worden door een te lage productie van insuline door de alvleesklier of doordat het lichaam niet goed reageert op de werking van insuline.

Diafragma: Spier die de buikholte van de borstholte scheidt; of een rubber, plastic kapje (pessarium) dat om de baarmoederhals gaat om bevruchting te voorkomen.

Diagnose: Het identificeren van een ziekte of stoornis door een arts.

Dialyse: Behandeling waarbij afvalstoffen en schadelijke stoffen uit het bloed verwijderd worden. Dialyse wordt hoofdzakelijk toegepast bij nierinsufficiëntie of in het geval van een overdosis aan bijvoorbeeld geneesmiddelen.

Diastole: Periode tijdens de hartcyclus waarin de hartspier ontspant en die gevolgd wordt door een samentrekking (systole). Bij het aflezen van de bloeddruk vormt het laagste getal de diastolische waarde.

Digitus: Een vinger of teen.

Dilateren: Het verwijden of openen van een orgaan, zoals de oogpupil, of van een doorgang, zoals een slagader.

Discus: Een schijfachtig weefsel, zoals de kraakbeenschijven die zich tussen de wervels bevinden.

Dislokatie: Ontwrichting. Verschuiving van een bot vanuit zijn normale positie in het gewricht.

Dominant: Een manier van overerving waarbij slechts één gen van één ouder nodig is om een bepaalde eigenschap in het nageslacht tot uiting te laten komen. Zie ook Recessief.

Doodgeborene: Foetus die bij de geboorte dood is.

Duodenum: Twaalfvingerige darm. Het gedeelte van de dunne darm dat zich het dichtst bij de maag bevindt.

Dura mater: Het harde buitenste vlies dat het ruggenmerg en de hersenen omgeeft.

Dysplasie: Misvorming. Abnormale ontwikkeling van weefsel.

E

Ec-, Ecto-: Voorvoegsels die uit of uitwendig betekenen.

Ectopisch: Abnormale ligging, bijvoorbeeld wanneer een bevrucht ei zich in de eileider nestelt.

Eczeem: Acute of chronische ontsteking van de huid die gekenmerkt wordt door jeuk en schilfering.

Eelt: Een verdikking van de hoornlaag van de huid.

Effusie: Opeenhoping van vocht in een lichaamsholte of tussen weefsels.

Eileiders: De twee buizen die zich aan weerszijden van de baarmoeder bevinden en waarvan er één de eicel van één van de eierstokken naar de baarmoeder voert.

Ejaculatie: Zaadlozing. Het uitstorten van sperma tijdens het orgasme van de man.

Embolie: Verstopping van een bloedvat door een bloedstolsel, luchtbel, vetbolletje of een andere vreemde substantie.

Embryo: De menselijke vrucht vanaf het moment van innesteling in de baarmoeder tot het einde van de tweede maand na de bevruchting.

Emeticum: Middel dat tot braken aanzet.

Emissie: Afscheiding van vloeistof.

En-, Endo-, Ento-: Voorvoegsels die in of binnen betekenen.

Endocardium: Het dunne, binnenste vlies dat de hartspier bekleedt. Zie ook Epicardium en Myocardium.

Endoscoop: Een optisch instrument dat ook licht geeft en gebruikt wordt om de binnenkant van een holte of hol orgaan zichtbaar te maken.

Enzym: Een samengesteld eiwit dat zich bevindt in spijsverteringssappen of in cellen en dat dienst doet als katalysator van chemische reacties.

Epicardium: Het dunne, buitenste vlies dat de hartspier beschermt. Zie ook Endocardium en Myocardium.

Epidermis: Opperhuid. De buitenste laag van de huid.

Epiglottis: Strotklepje. Klep van kraakbeen die het strottenhoofd afsluit.

Epilepsie: Vallende ziekte. Zie Toeval.

Epinefrine en norepinefrine: Zie Adrenaline en Noradrenaline.

Erectie: Het opzwellen en stijf worden van de penis, hetgeen kenmerkend is voor seksuele opwinding.

Erytheem: Rode plek op de huid als gevolg van een verwijding van de haarvaten onder de huid.

Erythrocyten: Rode bloedcellen.

Ethanol: (Graan)alcohol. Ethylalcohol.

F

Farmacologie: Leer van de geneesmiddelen en hun uitwerking op levende wezens.

Faseren: Onderzoek waarbij de omvang en eventuele uitzaaiing van kanker gecategoriseerd wordt om de behandeling te kunnen plannen.

Febriel: Koortsig.

Feces: Ontlasting. Afvalstoffen van het lichaam, zoals restanten van voedsel, die door de darmen verwijderd worden.

Femur: Dijbeen.

Fertiliteit: Vruchtbaarheid. In staat zijn om zwanger te worden (vrouw) of in staat zijn om een kind te verwekken (man).

Fibrillatie: Trilling of niet te beheersen samentrekking van spieren. Fibrillatie in de hartspier veroorzaakt een onregelmatige hartslag.

Fibroom: Een goedaardige tumor die uit bindweefsel bestaat.

Fibula: Kuitbeen. De kleinste van de twee botten die van de knie naar de enkel lopen.

Flatulentie: Winden. Een overmaat van gas in de maag en darmen.

Flauwvallen: Korte tijd het bewustzijn verliezen als gevolg van een ontoereikende bloedtoevoer naar de hersenen.

Flegma: Dik slijm, hoofdzakelijk uit de voorhoofdsholten of het ademhalingskanaal.

Fluor: Een element dat in de natuur aangetroffen wordt. Voldoende inname van fluor helpt tandbederf te voorkomen en kan botten sterker maken.

Fobie: Voortdurende, irrationele angst.

Foetus: Een bevruchte eicel in de baarmoeder vanaf de tweede maand van de zwangerschap tot de geboorte.

Follikel: Buisvormig kliertje of blaasje in de huid of eierstok; of verzameling van cellen in een lymfknoop.

Fontanel: De zachte plek boven op het hoofd van een baby waar de vier beenderen van de schedel nog moeten vergroeien.

Forceps: Door verloskundigen gebruikte tang om een bevalling te bevorderen. De tang wordt aangelegd om het hoofdje van de baby.

Fractuur: Botbreuk.

Fructose: Een suiker die voornamelijk voorkomt in fruit.

Fungus: Schimmel. Een organisme van plantaardige herkomst dat geen bladgroen bevat: sommige fungi kunnen irritatie of ziekte veroorzaken.

G

Gal: Bitter smakende vloeistof die geproduceerd wordt door de lever, tijdelijk wordt opgeslagen in de galblaas en daarna wordt afgevoerd naar de dunne darm. In de dunne darm bevordert gal de afbraak van vetten.

Galblaas: Zak die zich onder de lever bevindt. De galblaas slaat gal op die afgescheiden is door de lever en geeft als het nodig is de gal vervolgens af aan de dunne darm.

Gammaglobuline: Een eiwit in het bloed dat een rol speelt bij de bestrijding van infecties.

Ganglion: Opeenhoping van zenuwweefsel die hoofdzakelijk bestaat uit zenuwcellichamen. Ook een kysteuze zwelling in een peesschede.

Gangreen: Afsterving van lichaamsweefsel, meestal door ontoereikende bloedtoevoer; het weefsel verschrompelt en wordt zwart.

Gastrisch: Met betrekking tot de maag.

Geelzucht: Een gele verkleuring van de huid die veroorzaakt wordt door de afsluiting van de galwegen of door het onvermogen van de lever om bilirubine te metaboliseren.

Gegeneraliseerd: Overal aanwezig. Niet beperkt tot een bepaald gebied in het lichaam.

Gehandicapt: Lichamelijk of geestelijk belemmerd zodat normale activiteiten verstoord worden.

Geïmpacteerd: Ingeklemd. Vast op elkaar gedrukt zodat het onbeweeglijk is.

Gelokaliseerd: Beperkt tot een bepaald gebied, zoals bij een infectie of ziekte. Zie ook Gegeneraliseerd en Systemisch.

Gen: Structuur in een chromosoom die verantwoordelijk is voor de overerving van een bepaalde eigenschap en gevormd wordt door DNA-moleculen in een specifieke volgorde.

Generiek geneesmiddel: Een geneesmiddel dat zonder merknaam vernoemd wordt.

Genetische manipulatie: Het op kunstmatige wijze produceren, veranderen of repareren van genetisch materiaal.

Genitaliën: Voortplantingsorganen.

Geriatrie: De tak van medische wetenschap die zich bezighoudt met de behandeling van afwijkingen die verband houden met het ouder worden.

Geslachtsklieren: Zie Ovaria en Testes.

Gestatie: Zwangerschap. De periode vanaf de bevruchting tot de geboorte.

Gewricht: De plaats waar twee of meer botten samenkomen en waar beweging plaatsvindt.

Gigantisme: Stoornis die veroorzaakt wordt door overproductie van groeihormoon door de hypofyse. Dit resulteert in extreme lengte. Ook wel reuzengroei genoemd.

Glasachtig lichaam: Gelatine-achtige stof die zich in het binnenste van het oog bevindt.

Globuline: Een bepaalde categorie van de bloedeiwitten die de antistoffen vormen.

Glomeruli: Kleine kluwen van bloedvaten in de nieren die verantwoordelijk zijn voor het filteren van afvalstoffen uit het bloed.

Glucagon: Een hormoon van de alvleesklier dat ervoor zorgt dat de in de lever opgeslagen onoplosbare suiker (glycogeen) wordt omgezet in glucose en aan het bloed wordt afgegeven.

Glucose: Bloedsuiker die ook bekend is als dextrose.

Gluten: Plantaardige eiwitten die zich in granen zoals tarwe, rogge, haver en gerst bevinden.

Glycogeen: Meervoudige suiker (polysacharide) die zich in opgeslagen vorm in de lever bevindt.

Goitre: Struma. Vergroting van de schildklier.

Grand mal: Gegeneraliseerde stuipen die gepaard gaan met bewustzijnsverlies.

Granulocyten: Witte bloedcellen (leukocyten) die geproduceerd worden in het beenmerg en korrelige structuren bevatten. Ze verteren en vernietigen bacteriën.

H

Halitose: Stinkende adem.

Hallucinatie: Waanvoorstelling die niet gebaseerd is op de werkelijkheid. Een hallucinatie kan worden gehoord, gezien of geroken.

Hamstrengen: Spieren aan de achterzijde van de dij. De pezen van de hamstrengspieren kunnen aan de achterkant van de knie gevoeld worden.

Hartgeruis: Een toon die naast de normale harttonen gehoord wordt. De afwijking kan goedaardig zijn of een teken van een aandoening van de hartklep of een andere hartafwijking.

Hart-long reanimatie: Techniek om een bewusteloze persoon wiens hartslag en ademhaling gestopt zijn, weer bij te brengen.

Hartaanval: Myocard infarct. Een pijnlijk en soms dodelijke gebeurtenis die veroorzaakt wordt door de afsluiting van een of meer kransslagaders, waardoor een deel van de hartspier niet meer van voldoende bloed voorzien wordt.

Hartstilstand: Het plotseling ophouden van de hartslag waardoor de bloedsomloop stopt.

Hemangioma: Goedaardige tumor van verwijde bloedvaten.

Hematemesis: Het braken van bloed.

Hematoom: Met bloed gevulde zwelling onder de huid of in een orgaan als gevolg van de beschadiging van een bloedvat.

Hematurie: Bloed in de urine.

Hemiplegie: Verlamming van een zijde van het lichaam.

Hemodialyse; Kunstmatig verwijderen van chemische afvalstoffen uit het bloed.

Hemoglobine: Een rood gekleurd eiwit dat ijzer bevat en zich bevindt in de rode bloedcellen. Hemoglobine transporteert zuurstof van de longen naar de lichaamsweefsels en neemt kooldioxide eruit op.

Hemoptoe: Het ophoesten of spuwen van bloed dat afkomstig is van een bloeding in het strottenhoofd, de luchtpijp of de longen.

Hemorragie: Hevige bloeding (inwendig of uitwendig) die veroorzaakt wordt door beschadiging van een bloedvat.

Hepaticus: Tot de lever behorend.

Herediteit: Erfelijkheid. De overdracht van genetische eigenschappen van ouder op kind.

Hernia: Uitstulping of breuk van een orgaan of deel van een orgaan in de omliggende weefsels.

Hersenstam: Het gedeelte van de hersenen dat de twee hemisferen verbindt met het ruggenmerg. De hersenstam bestaat uit het verlengde merg, de hersenbasis (de pons) en de middenhersenen.

Hik: Onwillekeurige samentrekking van het middenrif die meteen gevolgd wordt door sluiting van de stemspleet, hetgeen resulteert in een plotselinge, korte ademhaling.

Hirsutisme: Overmatige groei van lichaams- of gezichtsbeharing van het mannelijke type.

Histamine: Chemische stof die voorkomt in de lichaamsweefsels en die, wanneer hij afgescheiden wordt, de productie van maagsap voor de spijsvertering stimuleert; of de actieve stof bij allergische reacties, die het gevolg zijn van het in grote hoeveelheden vrijkomen van histamine om schadelijke stoffen te bestrijden. De betreffende plek zwelt op en verstopt, hetgeen resulteert in netelroos (huid), astma (de binnenkant van de luchtwegen) of hooikoorts (de binnenkant van de neus).

Hoektand: Een van de vier tanden die zich bevinden tussen de molaren en de snijtanden; ook bekend als oogtand.

Hoge bloeddruk: Zie Hypertensie.

Hormoon: Een stof (afgescheiden door een endocriene klier) die via de bloedsomloop naar verschillende organen in het lichaam vervoerd wordt en daar verschillende lichaamsfuncties reguleert.

Huisarts: Arts die verantwoordelijk is voor de integrale zorg voor de gezondheid van een persoon in de leefomgeving van deze persoon.

Humoraal: Met betrekking tot de lichaamsvochten.

Humor aquaeus: Transparante vloeistof die vloeit tussen de voorste en achterste oogkamer.

Hydrogenering: Proces waarbij een onverzadigd vet veranderd wordt in een vaster, verzadigd vet.

Hymenoptera: Orde van insecten waartoe bijen, wespen en mieren behoren.

Hyper-: Voorvoegsel dat overmatig of vermeerderd betekent.

Hyperactiviteit: Verstoord gedrag, vooral bij kinderen, dat gekenmerkt wordt door constante overactiviteit, impulsiviteit, agressiviteit, een slecht concentratievermogen en daardoor snel afgeleid zijn.

Hyperglykemie: Stoornis waarbij er een te veel aan suiker (glucose) in het bloed aanwezig is.

Hyperplasie: Bovenmatige groei van weefsels in een orgaan, hetgeen een toename in grootte veroorzaakt.

Hypertensie: Stoornis waarbij het bloed onder abnormaal hoge druk door het lichaam gepompt wordt; ook bekend als hoge bloeddruk.

Hypo-: Voorvoegsel dat inadequaat of onvoldoende betekent.

Hypochondrie: Overmatige bezorgdheid over de gezondheid.

Hypofyse: Endocriene klier die een aantal hormonen produceert, die een rol spelen bij het reguleren van de lichaamsgroei op lange termijn, het dagelijks functioneren en de voortplanting.

Hypoglykemie: Stoornis waarbij de suiker (glucose) in de bloedsomloop daalt tot beneden het normale gehalte.

Hypotensie: Lage bloeddruk.

Hypothalamus: Het deel van de hersenen dat gedeeltelijk verantwoordelijk is voor lichamelijke basisfuncties zoals eetlust, slaap, lichaamstemperatuur en voortplanting.

Hypoxie: Verminderde concentratie van zuurstof in het bloed.

I

Iatrogene ziekte: Stoornis of ziekte die een ongewenst gevolg is van een behandeling.

Idiopatisch: Met betrekking tot een stoornis of ziekte van onbekende oorzaak.

Ileum: Kronkeldarm. Het onderste gedeelte van de dunne darm.

Ilium: Darmbeen. Het bovenste gedeelte van het heupbeen.

Illusie: Waan. Een overtuiging waaraan vastgehouden wordt, ondanks bewijzen die de onjuistheid ervan aantonen.

Immobiliseren: Het onbeweeglijk maken van een lidmaat of lichaamsdeel om het genezingsproces te bespoedigen.

Immunisatie: Het toedienen van kleine hoeveelheden antigenen aan het lichaam om de ontwikkeling van immuniteit te stimuleren.

Immuniteit: Toestand waarin iemand onvatbaar is voor een ziekte, in het bijzonder een infectieziekte.

Immunoglobuline: Eiwit dat als antistof kan functioneren.

Impotentie: Onvermogen van een man om een erectie te krijgen of te houden en geslachtsgemeenschap te hebben.

Incisie: Een snede die met een mes gemaakt wordt.

Incisivi: Snijtanden. De acht voortanden in de mond, vier in de bovenkaak en vier in de onderkaak.

Incontinentie: Onvermogen om de urine of ontlasting op te houden.

Indigestie: Gestoorde spijsvertering.

Infarct: Afsterving van een deel van een weefsel door afsluiting van de bloedtoevoer.

Infectie: Stoornis waarbij micro-organismen, zoals een bacterie of een virus, het lichaam of een lichaamsdeel zijn binnengedrongen.

Infectieus: Besmettelijk. Het vermogen om een ziekte over te brengen of te verwekken.

Infertiliteit: Onvruchtbaarheid. Niet in staat zijn om zich voort te planten.

Inflammatie: Ontsteking. De reactie van weefsel op een verwonding door een infectie, klap of irritatie, met als gevolg zwelling, pijn, warmte en roodheid.

Inguinaal: Met betrekking tot de liesstreek, waar de romp en benen samenkomen.

Inoperabel: Operatief niet te behandelen.

Inseminatie: Het inbrengen van sperma in de vagina, hetgeen tot bevruchting van een eicel kan leiden.

Insomnie: Slapeloosheid.

Insuline: Hormoon uit de alvleesklier dat het lichaam in staat stelt het suikergehalte (glucose) in het bloed te reguleren.

Intolerantie: Niet in staat zijn iets te verdragen, zoals pijn of een medicamenteuze behandeling.

Intracraniaal: Binnen de schedel.

Intraveneus: In een ader.

Intrinsic factor: Een eiwitverbinding die zich bevindt in het maagsap en noodzakelijk is voor de opname van vitamine B12 uit de ingewanden.

Iris: Regenboogvlies. Het ronde, gekleurde oogvlies dat de pupil omgeeft en ervoor dient om de hoeveelheid licht dat het netvlies bereikt te reguleren.

Ischemie: Tijdelijk tekort aan bloed in een beperkt gebied van een orgaan of deel van een orgaan. Vaak wordt de afwijking bedoeld waarbij een slagader vernauwd of afgesloten is door kramp of atherosclerose en daardoor onvoldoende bloed levert aan de organen die hij daarvan voorziet.

Ischias: Pijn in een been, die wordt geleid door de heupzenuw (nervus ischiadicus). Wordt veroorzaakt door een aandoening van deze zenuw of in het onderste deel van de wevelkolom.

Isotoop: Eén van een aantal chemische elementen met een zelfde structuur maar niet hetzelfde moleculaire gewicht. Sommige isotopen zijn radioactief.

-itis: Achtervoegsel dat ontsteking betekent.

J

Jejunum: Nuchtere darm. Het gedeelte van de dunne darm dat ligt tussen de twaalfvingerige darm en de kronkeldarm.

K

Kanker: Algemene benaming voor verschillende ziekten die gekenmerkt worden door een abnormale groei van cellen waardoor er kwaadaardige tumoren gevormd worden die zich in verschillende delen van het lichaam kunnen ontwikkelen. Zie ook Maligne en Benigne.

Katheter: Klein, flexibel buisje dat in verschillende delen van het lichaam ingebracht kan worden om vloeistof te injecteren of te verwijderen.

Keizersnede: Het operatief verwijderen van een baby uit de baarmoeder via een snede in de buik en in de baarmoederwand.

Keloïd: Abnormaal breed litteken dat na een operatie of verwonding ontstaat.

Keratine: Hoornstof. Eiwit dat zich bevindt in haren, nagels en de buitenste lagen van de huid.

Keto-acidose: Een, soms dodelijke, complicatie bij insuline-afhankelijke suikerziekte die het gevolg is van te weinig insuline en bewustzijnsverlies kan veroorzaken.

Klier: Elk orgaan of weefsel dat een stof afscheidt die elders in het lichaam gebruikt wordt; endocriene klieren geven hormonen direct aan het bloed af.

Klinisch: Betrekking hebbend op informatie die vergaard is door het werken met patiënten; ter onderscheiding van laboratoriumresultaten.

Knoop: Klein, rond weefsel of kleine structuur.

Koliek: Buikpijn die veroorzaakt wordt door met tussenpozen verschijnende darmkrampen. Bij baby’s kan koliek zich uiten door huilen, een opgezwollen buik en het optrekken van de benen tegen de borst.

Koolhydraat: Een groep chemische verbindingen die bestaat uit zetmeel of suikers en hoofdzakelijk wordt aangetroffen in graanproducten, fruit, aardappelen, bonen en erwten.

Kraakbeen: Vast, wit bindweefsel dat zich bevindt in de gewrichten, de neus en de oren.

Kyfose: Bochel. Overmatige kromming van de wervelkolom, met als gevolg een bochel, bult of ronding van de schouders. Een kyfose kan veroorzaakt worden door ziekten zoals osteo-artritis of reumatoïde artritis, osteoporose, rachitis of door aandoeningen zoals compressiebreuken of aangeboren afwijkingen.

Kyste: Een gesloten blaas of holte die gevuld is met een vloeistof, gas of half vaste substantie.

L

Labyrint: Gedeelte van het binnenoor dat verantwoordelijk is voor het evenwichtsgevoel.

Laceratie: Vleeswond die veroorzaakt wordt door weefselverscheuring.

Lactatie: Proces waarbij melk geproduceerd wordt en door de borsten afgescheiden.

Lactose: Melksuiker die van nature aanwezig is in melk.

Larynx: Strottenhoofd. Het strottenhoofd bestaat uit kraakbeen waarbinnen zich de stembanden bevinden en spieren en ligamenten die gebruikt worden om stemgeluiden te produceren.

Lens: Doorzichtige structuur in het oog die licht zo ombuigt dat een beeld op de achterkant van het netvlies wordt gevormd.

Lesie: Weefsel dat beschadigd is, zoals bij een wond of abces, of geïrriteerd of veranderd is, zoals bij een tumor, moedervlek of kyste.

Leukocyten: Witte bloedcellen die ervoor dienen om infecties te bestrijden.

Levenstekenen: Ademhaling, hartslag en lichaamstemperatuur.

Lever: Het grootse inwendige orgaan in het lichaam. Er vinden vele stofwisselingsprocessen plaats, zoals de afscheiding van gal, de neutralisatie van schadelijke stoffen, de synthese van eiwitten en de opslag van glycogeen en sommige mineralen en vitaminen.

Libido: Geslachtsdrift.

Lies: Het onderste deel van de buik waar de romp en dij samenkomen.

Ligament: Sterk, vezelachtig bindweefsel dat op een band of strook lijkt en een bot met een ander bot verbindt.

Ligatuur: Fijne draad (synthetisch of natuurlijk) om tijdens een operatie bloedvaten mee af te binden zodat ze niet zullen bloeden. Tevens wordt met ligatuur het afbinden zelf bedoeld.

Lipide: Een vet of vettige stof die zich in het bloed bevindt, zoals cholesterol.

Liposuctie: Methode waarbij onderhuids vetweefsel verwijderd wordt door een zuigapparaat.

Lithiasis: Steenziekte. Vorming van stenen, zoals galstenen of nierstenen.

Longen: De twee kegelvormige, sponsachtige ademhalingsorganen die rond de luchtpijpvertakkingen (bronchiaalboom) liggen. De longen brengen lucht en bloed met elkaar in contact, zodat zuurstof aan het bloed toegevoegd kan worden en kooldioxide verwijderd.

Lordose: Overmatige kromming van het onderste gedeelte van de wervelkolom, hetgeen een holle rug veroorzaakt.

Lumbaal: Tot de lende behorend.

Lymfe: Heldere vloeistof die aanwezig is in de lymfvaten.

Lymfknopen: Kleine, ronde organen (in grootte variërend van speldenknop tot olijf) die zich overal in het lichaam bevinden en lymfocyten en monocyten produceren, die een rol spelen bij de bescherming van het lichaam tegen het binnendringen van bacteriën of andere organismen.

Lymfocyten: Ziektebestrijdende witte bloedcellen die geproduceerd worden in de lymfknopen en door middel van de lymfe en het bloed in het lichaam verspreid worden.

M

Maag: Zakvormig orgaan waar het voedsel vanuit de slokdarm naar toegaat. Nadat het voedsel mechanisch is verwerkt door een roerende beweging en chemisch door maagzuren, gaat het van de maag naar de dunne darm.

Maag-darmkanaal: De maag en darmen.

Maagdenvlies: Vlies dat gedeeltelijk de toegang tot de vagina afsluit.

Maagzuur: Een branderig gevoel onder het borstbeen (sternum), veroorzaakt door terugvloeiing van maagsappen (reflux) uit de maag naar de slokdarm.

Maceratie: Verweking. Het zacht worden van weefsel door het weken in een vloeistof.

Macrofagen: Cellen die zich overal in het lichaam bevinden, in het bijzonder in de milt, en in staat zijn andere stoffen, zoals ’oude’ rode bloedcellen op te nemen. Macrofagen spelen ook een belangrijke rol in het afweersysteem.

Malabsorptie: Gebrekkige opname van voedingsstoffen door de dunne darm. Mogelijke symptomen van het malabsorptie syndroom zijn dunne, vettige ontlasting, diarree, gewichtsverlies, slapte en bloedarmoede.

Malaise: Algeheel gevoel van ziekte en onwel zijn. Vaak een teken van infectie.

Maligne: Kwaadaardig, schadelijk; de term wordt gebruikt om kwaadaardige tumoren te beschrijven die zich ongecontroleerd delen en verspreiden (metastaseren).

Mandibula: Onderkaak.

Manie: Geestelijke stoornis die gekenmerkt wordt door een intens gevoel van opgetogenheid en opgewondenheid en vaak gepaard gaat met een toename in activiteit.

Masticatie: Kauwen.

Maxilla: Bovenkaak.

Meconium: De eerste ontlasting van een pasgeborene die bestaat uit afscheidingsproducten uit de darmen en vruchtwater en meestal donkergroen van kleur is.

Medulla: Merg. Het binnenste van een orgaan, klier of bot.

Melanine: Pigment dat kleur geeft aan de haren, huid en het vaatvlies van het oog.

Membraan: Vlies. Dunne, zachte weefsellaag die organen of structuren bekleedt, scheidt of omgeeft.

Membrana tympani: Trommelvlies.

Meninges: Hersenvliezen. De drie membranen die het ruggenmerg en de hersenen omgeven.

Menopauze: Het geleidelijk ophouden van de menstruatie. Aan het einde van de menopauze is de vrouw niet meer in staat om zich voort te planten.

Menstruatie: Maandelijkse afstoting van bloed en weefsel afkomstig van de binnenwand van de baarmoeder.

Merknaam geneesmiddel: Een geneesmiddel dat een door de producent toegekende merknaam draagt.

Mesenterium: Plooi in het buikvlies die de darm verbindt met de achterwand van de buikholte en slagaders en aders bevat voor de bloedvoorziening van de darmen.

Metabolisme: Stofwisseling. Het proces waarbij voedsel wordt omgezet, weefsels worden afgebroken tot afvalstoffen en energie ontstaat.

Metastase: Verspreiding van een ziekte van een deel van het lichaam naar een ander, gewoonlijk door de verplaatsing van cellen (zoals bij kanker) of bacteriën via de lymfe of het bloedvatenstelsel.

Microben: Eencellige organismen, zoals bacteriën, waarvan er veel ziekteverwekkend zijn.

Mictie: Urineren.

Milt: Orgaan dat zich links in de bovenbuik bevindt. De milt slaat bloedcellen op en produceert deze soms.

Miosis: Abnormale vernauwing van de pupil, vaak een teken van ziekte of een stoornis.

Miskraam: Voortijdige, spontane beëindiging van een zwangerschap.

Mitose: Soort celdeling waarbij de nieuwe cellen hetzelfde aantal chromosomen hebben als de oudercel.

Mitraalklep: Hartklep die het zuurstofrijke bloed van de linkerboezem naar de linkerkamer laat stromen en terugstroming verhindert.

Molaren: De maal- of kauwtanden die zich achterin de beide kaken bevinden.

Mono-: Voorvoegsel dat enkel of één betekent.

Motiliteit: Het vermogen om spontaan te bewegen.

Mucosa: Slijmvlies. Dun vlies dat de doorgangen en holten bekleedt die in verbinding staan met lucht, zoals de neus, mond en ogen.

Musculus: Spier. Weefsel dat door het vermogen om samen te trekken beweging veroorzaakt.

Myalgie: Gevoelige of pijnlijke spieren.

Myeline: Witte, vetachtige stof die een schede rond sommige zenuwen vormt.

Myocardium: Hartspier. Zie ook Endocardium en Epicardium.

Myopathie: Iedere spierziekte.

N

Nageboorte: De placenta en de vliezen die na de geboorte uit de baarmoeder afgestoten worden.

Narcose: Een toestand van verdoving die vaak veroorzaakt wordt door verdovende middelen of andere stoffen.

Nares: Neusgaten.

Nataal: Met betrekking tot de geboorte.

Nausea: Misselijkheid. Een ziek gevoel in de maag dat vaak gevolgd wordt door braken.

Necrose: Plaatselijke afsterving van weefsel dat omgeven wordt door gezond weefsel.

Nefritis: Nierontsteking.

Nefron: Structuur van de nier waarin bloed gefilterd wordt om afvalstoffen uit de urine te verwijderen.

Neonataal: Met betrekking tot een pasgeborene die niet ouder is dan vier weken.

Neoplasie: Nieuwe en abnormale groei.

Nervus: Zenuw. Vezelbundels die de hersenen en het ruggenmerg verbinden met de lichaamsdelen en prikkels geleiden.

Nervus ischiadicus: Grote beenzenuw. De grootste zenuw in het lichaam die gevormd wordt door de gevoels en bewegings zenuwen van de benen en voeten. De zenuw ontspringt onderaan het ruggenmerg in de vorm van een aantal wortels, gaat dan door het bekken en vervolgens naar beneden aan de achterzijde van de heup.

Nervus opticus: Gezichtszenuw. De zenuw die lichtprikkels van het netvlies naar de hersenen geleidt, waar ze vertaald worden.

Nervus trigeminus: De gelaatszenuw die gevoelsprikkels van het gezicht, de tanden en de tong naar de hersenen geleidt.

Nervus vagus: Zenuw die de slokdarm, maag, darmen, longen, het strottenhoofd en het hart verzorgt.

Netelroos: Huiduitslag van rode en witte jeukende bulten als gevolg van een overmaat aan plaatselijk vrijgekomen histamine in de huid.

Neuralgie: Stekende pijn langs het verloop van een zenuw.

Neuron: Zenuwcel.

Neuropathie: Iedere zenuwziekte.

Neurotransmitters: Chemische stoffen in zenuwcellen die zenuwimpulsen van de ene zenuwcel op de andere overdragen in de hersenen en het zenuwstelsel.

Nieren: De twee boonvormige organen die achter in het bovenste deel van de buikholte liggen, aan weerszijden van de wervelkolom. Ze zijn verantwoordelijk voor het produceren en uitscheiden van urine en het reguleren van de waterhuishouding, het elektrolytengehalte en het zuur-base-evenwicht van het bloed.

Nonsteroïde anti-inflammatoire middelen (NSAID’s): Geneesmiddelen die gebruikt worden om ontstekingen te remmen en die niet op cortison gebaseerd zijn.

Noradrenaline (soms Norepinefrine genoemd): Zie Adrenaline.

Nucleus: De kern van alle cellen, behalve van rode bloedcellen, die van wezenlijk belang is voor de celgroei, voeding en voortplanting.

O

Obstipatie: Moeilijke stoelgang met harde, droge ontlasting.

Occipitaal: Met betrekking tot het achterhoofd.

Occlusie: Afsluiting van een doorgang, zoals een kanaal of bloedvat. In de tandheelkunde; het aansluiten van de bovenste en onderste tanden en kiezen als de mond dicht is.

Occult: Niet rechtstreeks waarneembaar, verborgen.

Oculair: Tot het oog behorend.

Oedeem: Zwelling van de lichaamsweefsels door een overmaat aan vocht.

Oesophagus: Slokdarm. Buis die de keel met de maag verbindt.

Oestrogeen: Hormoon dat hoofdzakelijk bij vrouwen voorkomt en dat een rol speelt bij de ontwikkeling van de secundaire geslachtskenmerken en het regelen van de cyclus, zoals menstruatie en zwangerschap. Substitutie van oestrogenen gebeurt vaak om de gevolgen van de overgang te verminderen. Oestrogeen komt in kleine hoeveelheden ook bij mannen voor.

Olfactorisch: Met betrekking tot de reuk.

-oma, -oom: Achtervoegsels die tumor betekenen.

Oncogenen: Genen die zich bevinden in normale cellen en leiden tot de ontwikkeling van tumoren als ze aan kankerverwekkende virussen worden blootgesteld.

Ondervoeding: Tekort aan voeding van het lichaam door een gebrek aan (gezond) voedsel of door een slechte vertering en verdeling van voedingsstoffen.

Ontlasting: Afvalstoffen uit het lichaam, zoals overblijfselen van voedsel, die door de darmen afgescheiden worden.

Ontwenning: De wijze waarop men zich voelt wanneer verslavende medicijnen, illegale verdovende middelen of alcohol onthouden worden. De symptomen kunnen lichamelijk, psychisch of beide zijn.

Onwillekeurig: Niet te beheersen door de wil.

Orbita: Oogkas.

Orgasme: Hoogtepunt van de geslachtsgemeenschap of van het stimuleren van de geslachtsorganen. Bij de man is dit het geval wanneer zaad wordt uitgestort en bij de vrouw wanneer samentrekkingen van de vagina plaatsvinden.

-ose, -osis: Achtervoegsels die ziekelijke toestand betekenen.

Osseus: Benig.

Osteopathie: Iedere ziekte van de botten; of een medische stroming die gespecialiseerd is in een behandeling die het lichaam in staat stelt zichzelf te genezen door in- en uitwendige belemmeringen tot normaal functioneren uit te schakelen.

Ovaria: Eierstokken. Geslachtsklieren van de vrouw die eicellen produceren voor de voortplanting en de twee vrouwelijke geslachtshormonen oestrogeen en progesteron.

Ovulatie: Eisprong. Maandelijkse rijping en uitstoting van een ei uit een eierstok. Dit gebeurt ongeveer veertien dagen voor het begin van de volgende menstruatie.

Ovum: De vrouwelijke voortplantingscel (ei) die na de bevruchting door sperma tot een embryo, vervolgens een foetus en tenslotte tot een baby kan ontwikkelen.

Oxytocine: Hormoon uit de hypofyse dat bij vrouwen de borsten aanzet tot het geven van melk.

P

Pacemaker: Groep cellen, bekend als de sinusknoop, die zich bevinden in de boezem van het hart en die voor de regulatie van de hartfrequentie en het hartritme dienen. Een kunstmatige pacemaker is een elektrisch apparaat dat gebruikt wordt om het natuurlijke proces na te bootsen door elektrische prikkeling te genereren. Een kunstmatige pacemaker kan in of buiten de borstkas geplaatst worden.

Palatum: Gehemelte. Het harde gewelf van de mond.

Palperen: Voelen of onderzoeken door te betasten.

Palpitatie: Snel, hevig of kloppend gevoel dat het gevolg is van hartfibrillaties of hartkloppingen.

Palsy: Verlamming. Verlies van het gevoel of van het vermogen om te bewegen of bewegingen te beheersen.

Pancreas: Alvleesklier. Klier die enzymen produceert die van wezenlijk belang zijn voor de vertering van voedsel. De eilandjes van Langerhans in de pancreas geven insuline af aan het bloed.

Papil: Op een tepel lijkend uitsteeksel.

Paralyse: Verlamming. Algeheel of gedeeltelijk verlies van het vermogen om een lichaamsdeel te bewegen.

Paranoia: Geestelijke stoornis die gekenmerkt wordt door achterdocht, achtervolgingswanen en jaloezie.

Paraplegie: Verlamming van de onderste lichaamshelft, waarbij zowel de motoriek (beweging) als de sensibiliteit (gevoel) zijn betrokken.

Parasiet: Een organisme dat op of in een ander organisme leeft ten koste van de gastheer.

Parathyroïdea: Bijschildklieren. Endocriene klieren die ingebed zijn in de schildklier en het calciumgehalte in het bloed reguleren.

Parenteraal: Methoden om geneesmiddelen of voeding toe te dienen anders dan door slikken, bijvoorbeeld intraveneus, subcutaan en intramusculair.

Paroseysme: Een plotselinge aanval, zo als een kramp of stuip.

Patella: Knieschijf.

Pathogeen: Ziekteverwekkend micro-organisme.

Pathologie: Leer van de herkomst (en oorzaak) van een ziekte.

Pectoraal: De borst betreffend.

Pelvis: Bekken. Komvormige deel van het skelet dat de wervelkolom met de onderste ledematen verbindt.

Penis: Mannelijk orgaan om te urineren en te copuleren.

Pepsine: Het belangrijkste enzym van de spijsverteringssappen in de maag.

Peptisch: Met betrekking tot de spijsvertering of het enzym pepsine.

Percussie: Onderzoeksmethode waarbij de plaats, grootte en consistentie van een inwendig orgaan vastgesteld wordt door met de vingertoppen op verschillende plaatsen van het lichaam te kloppen.

Perforatie: Methode waarbij er een gat gemaakt wordt; of het gat zelf.

Pericardium: Vliezige zak die het hart omgeeft.

Perineum: Bilnaad. Uitwendige streek tussen de vulva en anus van de vrouw of tussen het scrotum en de anus van de man.

Periodontaal: Met betrekking tot het gebied dat direct rond een tand ligt.

Peritonitis: Ontsteking of infectie van het buikvlies.

Periost: Beenvlies. Op leer lijkend weefsel dat botten bekleedt.

Peristaltiek: Golfachtige samentrekking van gladde spieren, in het bijzonder in het spijsverteringsstelsel, die het voedsel door het spijsverteringskanaal duwt.

Peritoneum: Buikvlies. Vlies dat de buikholte bekleedt.

Pernicieus: Destructief, soms dodelijk. Pernicieuze anemie is een bepaalde vorm van anemie die veroorzaakt wordt door het onvermogen om vitamine B12 uit het darmkanaal op te nemen.

Perspiratie: Zweet. De zoutachtige vloeistof die uitgescheiden wordt door de zweetklieren in de huid.

Pessarium: Voorwerp dat in de vagina wordt ingebracht om de baarmoeder te steunen of om bevruchting te voorkomen.

Petechieën: Kleine, onderhuidse bloedingen die kunnen optreden bij zware koortsaanvallen. Ook, de rode vlekken die door vlooiebeten veroorzaakt worden.

Petit mal: Lichte vorm van een epileptische aanval die gekenmerkt wordt door een afwezige blik en het stoppen van bewegingen.

Pharynx: Het bovenste gedeelte van de keel; de doorgang voor lucht van de neus naar het strottenhoofd en voor voedsel van de mond naar de slokdarm.

Pigment: kleurstof.

Pijnappelklier: Kegelvormige klier aan de achterzijde van de hersenen waarvan de functie niet geheel duidelijk is.

Pinna: Oorschelp. Buitenste gedeelte van het oor dat makkelijk gezien kan worden.

Plaag: Term die voorheen gebruikt werd om ziekten te beschrijven die dodelijk, besmettelijk en epidemisch waren. Tegenwoordig wordt de term hoofdzakelijk gebruikt om een infectie door de Yersinia pestis (de builenpest) te beschrijven.

Placebo: Een stof die geen geneeskrachtige werking heeft, maar om psychologische redenen of als deel van een klinisch onderzoek gegeven wordt.

Placenta: Sponsachtige structuur die zich tijdens de zwangerschap in de baarmoeder ontwikkeld heeft en waardoor de foetus voedsel opneemt en afvalstoffen afgeeft via de navelstreng. De placenta wordt na de bevalling afgestoten en wordt dan nageboorte genoemd.

Plaque: Een laagje of afzetting van bacteriën en ander materiaal op de buitenkant van een tand dat tot tandbederf of periodontale ziekte kan leiden.

Plasma: Vloeistof die deel uitmaakt van het bloed en de lymfe.

Pleura: Borstvlies. Het vlies dat zowel de longen als de borstholte bekleedt.

Poliep: Tumor die meestal goedaardig is, vaak een steel heeft en meestal aangetroffen wordt in de neus, baarmoeder en karteldarm.

Poly-: Voorvoegsel dat veelvoudig of meer dan normaal betekent.

Post partum: Met betrekking tot de tijd na de geboorte.

Premolaar: Een van de acht kiezen in de mond van een volwassene die twee knobbels heeft. De premolaar bevindt zich tussen de hoektand en de molaar.

Processus mastoïdeus: Ronde beenmassa met de structuur van een honingraat die zich achter het oor bevindt.

Profylaxe: Het voorkomen van een ziekte of van de verspreiding ervan door zich aan bepaalde regels te houden of specifieke voorzorgsmaatregelen te nemen.

Prostaglandinen: Een groep zeer actieve stoffen die in veel lichaamsdelen voorkomen en veel organen beïnvloeden. Bepaalde prostaglandinen spelen een rol bij het stimuleren van de samentrekkingen van de baarmoeder tijdens de weeën en geboorte.

Progesteron: Vrouwelijk geslachtshormoon dat onder andere verantwoordelijk is voor de verdikking van het baarmoederslijmvlies voor de bevruchting.

Prognose: Voorspelling over het verloop en de afloop van een ziekte.

Prolactine: Hormoon uit de hypofyse dat de borsten aanzet tot de productie van melk.

Prolaps: Verplaatsing van een orgaan of een weefsel, zoals de baarmoeder of blaas, door uitpuiling of uitzakking.

Prostaat: Voorstanderklier. Klier die bij mannen de blaashals omgeeft.

Proteïne: Eiwit. Een van de vele complexe stikstofverbindingen. Proteïne bestaat uit aminozuren en is van wezenlijk belang voor de groei en het herstel van weefsels.

Prothese: Kunstmatig orgaan of lichaamsdeel, zoals een kunstmatige ledemaat.

Protrombine: Chemische stof in het bloed die een reactie met kalkzouten aangaat om trombine te vormen; een deel van het bloedstollingsproces.

Pruritus: Ernstige jeuk.

Psychogenesis: Ontstaan in de geest; ook met betrekking tot de ontwikkeling van de geest.

Psychomotoriek: Betrekking hebbend op de willekeurige lichaamsbewegingen.

Psychose: Ernstige geestelijke stoornis die gekenmerkt wordt door het verlies van contact met de werkelijkheid. Wanen en hallucinaties doen zich hierbij vaak voor.

Psychosomatisch: Betrekking hebbend op de relatie tussen geest en lichaam. Bij psychosomatische ziekten wordt een lichamelijke stoornis veroorzaakt of verergerd door emotionele factoren.

Ptosis: Omlaaghangen, zoals bij een ooglid.

Ptyaline: Enzym in het speeksel dat een rol speelt bij het afbreken van zetmeel in suikers.

Puberteit: Periode waarin er snelle veranderingen plaatsvinden bij jongens en meisjes en waarin de secundaire geslachtskenmerken rijpen. Bij meisjes (in de regel tussen 9 en 16 jaar) wordt de puberteit gekenmerkt door de menarche (het begin van de menstruatie) en bij jongens (tussen 13 en 15 jaar) door het uitstorten van semen en het zwaarder worden van de stem.

Pulmonaal: Betrekking hebbend op de longen.

Pulsatie: Verwijding en samentrekking van een slagader, hetgeen blijkt uit het ritmisch kloppen als reactie op de verwijding of samentrekking van het hart.

Pupil: Ronde opening in het midden van de iris waardoor de lichtstralen het netvlies bereiken. De omvang van de opening wordt kleiner in helder licht en groter in schemerlicht.

Purpura: Stoornis die gekenmerkt wordt door bloedingen van kleine bloedvaten waardoor er vlekken op de huid of slijmvliezen ontstaan. De vlekken zijn aanvankelijk rood, veranderen dan in paars en uiteindelijk in bruingeel voordat ze verdwijnen.

Purulent: Pus bevattend of producerend.

Pus: Dikke, witgele vloeistof die leukocyten (witte bloedcellen) en bacteriën bevat en gevormd wordt op de plaats waar bepaalde soorten infecties aanwezig zijn.

Pylorus: Maagportier. De uitgang van de maag naar de twaalfvingerige darm.

Pyrexie: Koorts.

Q

Quadriplegie: Verlamming en functieverlies van de vier ledematen.

R

Radius: Spaakbeen. De kleinste van twee botten in de onderarm. De radius sluit aan bij de duimbasis.

Radon: Radioactief gas dat in de natuur voorkomt en een bijproduct is van de afbraak van radium.

Reanimatie: Herstellen van de ademhaling en hartslag na schijndood.

Recessief: Manier van overerving waarbij een gen dat verantwoordelijk is voor een bepaalde eigenschap, in beide ouders aanwezig moet zijn wil deze eigenschap ook bij het nageslacht voorkomen. Zie ook Dominant.

Rectum: Endeldarm. Het gedeelte van de dikke darm dat het dichtst bij de anus ligt.

Reflex: Onwillekeurige reactie op een prikkel.

Reflux: Terugvloeiing of oprisping.

Refractair: Hardnekkig, zoals een aandoening die niet ontvankelijk is voor behandeling of een zenuw of spier die ongevoelig is voor prikkels.

Relaps: Terugval. Het terugkeren van een ziekte of van symptomen na schijnbare genezing.

Remissie: Vermindering van symptomen.

REM slaap: Een periode in de slaap die bekend is als rapid eye movement slaap. Iemand lijkt te dromen en de ogen bewegen zich cyclisch ofschoon ze gesloten zijn.

Renaal: Betrekking hebbend op de nieren.

Resectie: Operatieve, gedeeltelijke verwijdering van een orgaan of weefsel.

Respiratie: Ademhaling.

Retina: Netvlies. Lichtgevoelige weefsellaag die zich aan de achterzijde van het oog bevindt. De retina bestaat uit staafjes en kegeltjes en geleidt zenuwprikkels naar de hersenen.

Retinopathie: Afwijking van het netvlies die een verslechtering van het gezichtsvermogen veroorzaakt.

Rhinovirus: Grote subgroep van virussen (waarschijnlijk meer dan honderd) die verkoudheid veroorzaken.

Risicofactoren: Chemische, fysiologische, psychologische en genetische gedrags- of milieufactoren die de kans op het ontstaan van een ziekte vergroten.

Röntgenstraal: Elektromagnetische golf die zeer vaste materie kan binnendringen en op film een beeld kan vormen van het lichaamsdeel of andere object dat bestudeerd wordt. Ook X-stralen genoemd.

Ruggenmerg: Lange, op een koord lijkende zenuwbundel die zenuwen van de romp, armen en benen verbindt met de hersenen.

Ruggenmergkanaal: Holte waarin zich het ruggenmerg bevindt en die beschermd wordt door de wervels van de ruggengraat.

Ruptuur: Verscheuring van weefsel (zoals bij een hernia) of het openbarsten van een orgaan.

Ruwe vezels: Onverteerbare vezels in fruit, groente en graanproducten die een positieve rol spelen bij de uitscheiding van afvalstoffen.

S

Sacharose: Enkelvoudige suiker die gemaakt wordt van suikerriet en suikerbieten.

Sacro-iliacaal gewricht: De verbinding tussen het heiligbeen en het darmbeen. Het is geen echt gewricht, omdat er op dit punt geen beweging mogelijk is.

Sacrum: Heiligbeen. Driehoekig beenstuk dat onderaan de wervelkolom net boven het stuitbeen ligt. Het heiligbeen bestaat uit vijf vergroeide wervels en maakt deel uit van het benig deel van de bekkenring.

Saline: Zoutoplossing.

Scapula: Schouderblad.

Schaamlippen: Twee paar lipachtige genitale organen van de vrouw. De grote schaamlippen zijn twee plooien, gevormd door huid en vetweefsel, die de schede beschermen; de kleine schaamlippen zijn de kleinere plooien tussen de grote schaamlippen die de clitoris beschermen.

Schildklier: Endocriene klier die een rol speelt bij de regulering van de stofwisseling en bijdraagt aan het handhaven van de balans tussen het calciumgehalte in het bloed en in de botten door de productie van de hormonen thyroxine en calcitonine.

Sclera: Harde oogrok. Het vezelachtige buitenste oogvlies dat loopt van de gezichtszenuw naar het hoornvlies.

Sclerose: Verharding of verdikking van een orgaan of weefsel, meestal door abnormale bindweefselgroei.

Scrotum: Balzak. Dubbele huidplooi waarin zich de testikels bevinden.

Sebum: Talg. Vettige substantie die afgescheiden wordt door de talgklieren om de huid te smeren.

Secretie: Afscheiding. Het proces waarbij stoffen door klieren geproduceerd worden. Het afscheidingsproduct heet secreet.

Semen: Zaad. Dikke, witachtige vloeistof die voortplantingscellen (spermatozoa) en andere vloeistoffen bevat. Semen wordt via de urinebuis van de man uitgestort bij ejaculatie.

Senescentie: Het proces van ouder worden.

Sepsis: Infectie van het bloed door ziekteverwekkende micro-organismen, meestal gepaard gaande met koorts.

Septikemie: Aanwezigheid van ziekteverwekkende bacteriën in het bloed; ook bekend als bloedvergiftiging.

Septum: Tussenschot dat twee holten of compartimenten verdeelt.

Serum: Bloedwei. Waterige vloeistof die overblijft nadat door bloedstolling een stolsel is gevormd. Serum dat antistoffen tegen een bepaalde ziekte bevat, kan bij iemand ingespoten worden om tijdelijke weerstand tegen die ziekte te geven; dit wordt passieve immunisatie genoemd. Zie ook Vaccinatie.

Sfincter: Ringvormige spieren rondom een opening die door samentrekking de opening kunnen afsluiten. In het lichaam bevinden zich verschillende sfincterspieren waaronder die van de anus, blaas en de opening van de slokdarm naar de maag.

Sfygmanometer: Bloeddrukmeter.

Shock: Klinische toestand waarbij het lichaam op een verwonding of op ernstige pijn reageert door het verwijden of verslappen van de bloedvaten, waardoor er een stoornis in de bloedsomloop ontstaat. Mogelijke symptomen zijn snelle pols, zeer lage bloeddruk, bleekheid, koude en klamme huid en soms bewusteloosheid.

Shunt: Kanaal dat de bloedstroom van de hoofdstroming omlegt naar een andere. Een shunt is vaak kunstmatig aangelegd.

Sinussen: Lege ruimten of holten in een botstructuur; meestal de holten die in de nabijheid van de neus liggen en ermee verbonden zijn door kleine openingen.

Slijmbeurs: Met slijmerige vloeistof ge vulde holte bij of om een gewricht of benig uitsteeksel, waardoor de wrijving tijdens het bewegen tussen een pees en bot of tussen een bot en de huid vermindert.

Somatostatine: Hormoon uit de hypothalamus dat een rol speelt bij de regulatie van de vorming en afgifte van de hormonen insuline en glucagon in de alvleesklier. Somatostatine bevindt zich ook in andere lichaamsweefsels, waar het andere functies kan hebben.

Spasme: Kramp. Een in meer of mindere mate langdurige, onwillekeurige, sterke en pijnlijke samentrekking van een of meer spieren.

Speculum: Instrument dat gebruikt wordt om ruimten in het lichaam, zoals het oor en de vagina, te onderzoeken.

Speeksel: Vloeistof die wordt afgescheiden door de speekselklieren in de mond, voedsel bevochtigt en de aanzet vormt voor het spijsverteringsproces.

Spermatozoa: Mannelijke cellen die, wanneer ze samengebracht worden met een eicel van een vrouw, bevruchting tot gevolg kunnen hebben. Ze worden geproduceerd door de testikels en bevinden zich in het semen. Ook wel sperma genoemd.

Spermicide: Geboortebeperkingsmiddel dat gebruikt wordt om spermacellen te doden.

Sputum: Fluim. Vloeistof die geproduceerd wordt tijdens het hoesten of schrapen van de keel. Als er een vermoeden bestaat van een bepaalde stoornis of afwijking, kan het sputum in een laboratorium onderzocht worden.

Staafjes: Lange, smalle lichaampjes in het netvlies die zwak licht waarnemen. Ook staafvormige bacteriën.

Stembanden: Kleine plooien in de holte van de larynx (strottenhoofd) die een rol spelen bij het produceren van geluid.

Stenose: Vernauwing of afsluiting van een opening of kanaal in het lichaam.

Sterilisatie: Methode waardoor alle micro-organismen (bacteriën, virussen en parasieten) uit een substantie verwijderd worden, zoals bij sterilisatie van chirurgische instrumenten om infectie te voorkomen. Of de ingreep, meestal operatief, waardoor een man of vrouw niet meer in staat is zich voort te planten.

Sternum: Borstbeen. Het bot dat zich in het midden van het bovenste deel van de borstkas bevindt en verbonden is met de uiteinden van het sleutelbeen en de ribben.

Steroïden: Zie Corticosteroïden.

Striae: Groeven of streepjes.

Stupor: Verminderd bewustzijn waarbij het reactievermogen en gevoel verminderd zijn.

Subacuut: Term die gebruikt wordt voor het verloop van een ziekte die niet chronisch (langdurend) is, maar ook niet van beperkte duur (acuut).

Subcutaan: Onderhuids.

Sunblock: Zonnecrème dat op de huid aangebracht wordt om blootstelling aan zonnestralen te beperken.

Suppuratie: Ettering. De vorming en afscheiding van pus bij een wond of infectie.

Suture: Verbindingsnaad tussen twee oppervlakken; of de hechting zelf.

Synaps: Contactpunt tussen twee zenuwcellen (neuronen).

Syncope: Flauwvallen.

Syndroom: Een verzameling symptomen die kenmerkend zijn voor een kwaal.

Synoviaal vocht: Heldere smeervloeistof die zich in een gewricht bevindt.

Systemisch: Het hele lichaam betreffend of behorend tot het hele lichaam in tegenstelling tot slechts een lichaamsdeel.

Systole: Het gedeelte van de hartcyclus waarin de hartspier samentrekt.

T

Tachycardia: Abnormaal versnelde hartfrequentie (meer dan 100 slagen per minuut).

Talgklieren: Smeerklieren in de huid.

Tandsteen: Plaque-afzettingen op tanden die tot tandbederf leiden.

T-cel: Soort witte bloedcel (lymfocyt) die deel uitmaakt van het immuunsysteem van het lichaam.

Tendo: Pees. Touwachtig weefsel dat spieren met botten verbindt.

Testikels: Geslachtsklieren van de man die mannelijke voortplantingscellen (spermatozoa) produceren en het mannelijke geslachtshormoon testosteron. Ook testes, zaad- of teelballen genoemd.

Testosteron: Mannelijk geslachtshormoon dat door de testes geproduceerd wordt.

Thoracicus: De borstkas betreffend.

Thorax: Het gedeelte van het lichaam onder de hals en boven het middenrif; de borstkas.

Thymus: Zwezerik. Klier die in het bovenste gedeelte van de borstkas ligt en T-cellen produceert, die van wezenlijk belang zijn voor de ontwikkeling van de immuunreactie van het lichaam. Na de kinderjaren verdwijnt (involueert) de thymus.

Thyroxine: Schildklierhormoon dat de chemische activiteit in het lichaam reguleert.

Tibia: Het grootste van de twee beenderen in het onderbeen; het scheenbeen.

Tic: Onwillekeurige samentrekking van de spieren, meestal van het gezicht, hoofd, hals of schouder; een zenuwtrek.

Tinctuur: Medicijn dat een mengsel is van alcohol en een extract van plantaardig of dierlijk materiaal.

Toeval: Een plotselinge aanval die vaak gepaard gaat met stuiptrekkingen; als dit symptoom regelmatig terugkeert, wordt het vaak vallende ziekte of epilepsie genoemd.

Topisch: Plaatselijk. Met betrekking tot een bepaald oppervlak van het lichaam.

Tourniquet: Een verband of een ander hulpmiddel dat om een lidmaat gesnoerd wordt om het bloeden te stoppen.

Toxikemie: Een aandoening waarbij giftige stoffen via het bloed door het lichaam circuleren.

Toxine: Een giftige stof van een bacterie.

Toxisch: Giftig.

Toxoïd: Een toxine dat zo behandeld is dat het niet meer giftig is, maar dat, wanneer het ingespoten wordt in het lichaam, aanzet tot de productie van antistoffen. Een voorbeeld is het tetanustoxoïd.

Traanklier: Oogklier die tranen afscheidt.

Trachea: Luchtpijp. De buis die de keel (pharynx) verbindt met de bronchiën in de longen.

Tractie: Mechanisch trekken aan een lichaamsdeel. Dit vindt plaats bij de behandeling van bepaalde botbreuken en ontwrichtingen.

Transfusie: Het door inspuiting toedienen van bloed of een bestanddeel van bloed aan de bloedsomloop.

Transplantatie: De operatieve verplaatsing van een orgaan of weefsel van een plaats (of persoon) naar een andere.

Trauma: Een verwonding, zoals een brandwond, wond of een gebroken been.

Tremor: Onwillekeurig beven; een tremor kan het gevolg zijn van een ziekte, zenuwstoornis, de bijwerking van een geneesmiddel of van een andere oorzaak.

Triceps: Spier in de onderarm die, wanneer hij samentrekt, de arm strekt.

Tricuspidaalklep: De hartklep tussen de rechterboezem en rechterkamer.

Triglyceride: De meest voorkomende vetsoort. Het is de voornaamste vorm waarin vetzuren in dierlijk weefsel worden opgeslagen.

Trombine: Enzym dat een rol speelt bij het bloedstollingsproces.

Trombocyt: Bloedplaatje dat van wezenlijk belang is voor het stollingsproces.

Tubulus: Een klein buisje of kanaal, in het bijzonder in de nieren.

Tumor: Abnormaal gezwel of weefsel dat op normaal weefsel lijkt, maar geen functie heeft. Een tumor kan kwaadaardig zijn (kanker) of goedaardig.

U

Ulcus: Zweer. Een open wond op de huid of op een slijmvlies.

Ulna: Ellepijp. De grootste van de twee botten in de onderarm.

Ultrasoon: Geluidsgolven met een hogere frequentie dan door de mens gehoord kan worden. Wanneer ze materie binnendringen verandert de snelheid, afhankelijk van de dichtheid van het lichaamsdeel of andere object dat bestudeerd wordt. Ook een instrument dat echo’s kan registreren en een afbeelding kan vormen voor diagnostische doeleinden.

Umbilicus: Navel. Het litteken dat gevormd wordt na het loskomen van de navelstreng van de foetus bij de geboorte; de navel.

Ureter: Urineleider. De buis waardoor de urine van de nieren naar de blaas vloeit.

Urethra: Urinebuis. De buis waardoor de urine het lichaam verlaat; bij de man is dit ook het kanaal waardoor semen uitgestort wordt.

Ureum: Het belangrijkste afvalproduct in de urine; een bijproduct van de eiwitstofwisseling dat stikstof bevat.

Urine: Vloeibaar afvalproduct dat geproduceerd wordt in de nieren, opgeslagen wordt in de blaas en uitgescheiden door de urinebuis.

Urineren: Het lozen van vloeibare afvalproducten (urine).

Urinezuur: Een afvalstof en bijproduct van de stofwisseling. Als er te weinig via de urine van uitgescheiden wordt kan dat leiden tot de ontwikkeling van jicht.

Urticaria: Zie Netelroos.

Uterus: Baarmoeder. Vrouwelijk orgaan dat het embryo of de foetus draagt. De uterus ligt in de onderbuik en is gespierd en peervormig.

Uvea: Druifvlies. Laag van het oog onder de harde oogrok, die bestaat uit de iris, het corpus ciliare en het vaatvlies. De zichtbare kleur van het oog wordt in de uvea gezien.

Uvula: Huig. Vlezig aanhangsel aan de achterrand van het gehemelte.

V

Vaccin: Verzwakte of dode micro-organismen of virussen van een specifieke ziekte die in het lichaam geïntroduceerd worden om immuniteit op te wekken en weerstand op te wekken tegen infectieziekten; dit wordt actieve immunisatie genoemd.

Vaccinatie: Inspuiten van een vaccin om immuniteit voor een bepaalde ziekte op te wekken.

Vagina: Kanaal dat bestaat uit spieren en vliezen. De vagina verbindt de uitwendige vrouwelijke geslachtsorganen met de baarmoeder.

Valse weeën: Onregelmatig terugkerende pijn en samentrekkingen van de baarmoeder die de zwangere vrouw de indruk geven dat de weeën begonnen zijn.

Varices: Spataders. Verslapte, opgezwollen of kronkelende aders.

Vasculair: Met betrekking tot de bloedvaten; waaronder de aders en slagaders.

Vas deferens: De buis waardoor het sperma van de testikels naar de urinebuis gaat.

Vena: Ader. Bloedvat dat het bloed terugvoert naar het hart.

Venae jugularis: Halsaders. De twee aders aan weerszijden van de hals die het bloed van de hersenen naar het hart voeren.

Veneus: Met betrekking tot de aders.

Ventrikel: Kamer. Een van de twee onderste holten van het hart; of iedere kleine holte.

Venula: Kleine ader.

Verkeerde ligging: Abnormale positie van de foetus tijdens de weeën, waardoor een normale bevalling moeilijk of onmogelijk is.

Verrekking: Letsel van een spier veroorzaakt door het forceren of overmatig gebruiken van een spier.

Verrucca: Wrat.

Verslaving: Lichamelijke of psychische(of beide) afhankelijkheid van een stof (meestal alcohol of een ander verdovend middel), waarvan men gewoonlijk een steeds grotere hoeveelheid nodig heeft.

Verstuiking: Letsel van een gewricht waarbij een gewrichtsband beschadigd is.

Vertebra: Wervel. Een van de 33 botstukken die de wervelkolom vormen.

Vertigo: Duizeligheid.

Vesicula: Blaasje. Een klein zakje dat vocht bevat.

Vetten: Een groep organische verbindingen die bestaan uit vetzuren. Vetten zijn verzadigd of onverzadigd. Onverzadigde vetten worden onderverdeeld in enkelvoudige en meervoudige onverzadigde vetzuren.

Vetzucht: Abnormaal lichaamsgewicht. Tegenwoordig gedefinieerd als een Quetelet index: 27 en hoger.

Vezel: Voedselsubstantie die niet chemisch verteerd wordt en praktisch zonder te veranderen het spijsverteringsstelsel passeert. Vezels voegen ballaststoffen aan de voeding toe en spelen een rol bij het uitscheiden van ontlasting.

Viraal: Met betrekking tot of veroorzaakt door een virus.

Virulent: Zeer giftig of infectieus.

Virus: Klein, ziekteverwekkend organisme; virussen variëren van onschuldig (een gewone verkoudheid) tot dodelijk (AIDS).

Viscera: De inwendige organen; in het bijzonder de organen die zich in de buikholte bevinden.

Vitaminen: Organische stoffen die in kleine hoeveelheden in het voedsel aanwezig zijn en van wezenlijk belang zijn voor de meeste chemische processen in het lichaam.

Vrije geneesmiddelen: Geneesmiddelen die zonder recept verkrijgbaar zijn; die over de toonbank verkocht worden.

Vruchtwater: De beschermende vloeistof waarin de foetus in de baarmoeder verblijft.

Vulva: Uitwendige vrouwelijke geslachtsorganen waaronder de clitoris en de schaamlippen.

W

Weeën: Spiersamentrekkingen waardoor een baby geboren wordt.

Weefsel: Een verzameling gelijksoortige cellen die samen een lichaamsorgaan vormen.

Wervelkolom: De benige verzameling van wervels die het ruggenmerg omgeven.

Wortelkanaal: Holte in de wortel van een tand of kies die zenuwen bevat.

Wrat: Onschadelijk groeisel op de huid dat door een virus veroorzaakt wordt.

Z

Zaadblaasjes: Zakvormige structuren bij de man die zich achter de blaas bevinden en een vloeistof afscheiden die deel uitmaakt van de samenstelling van het semen.

Zetpil: Toedieningsvorm van een geneesmiddel in een vaste vorm dat ingebracht dient te worden in de endeldarm of de vagina.

Ziektekiem: Micro-organisme dat ziekte kan veroorzaken.

Zygote: Het ei nadat de bevruchting door een spermacel heeft plaatsgevonden.

 
Relevante artikelen

Nog geen reacties geplaatst, wees de eerste.



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

MEDISCH VOORBEHOUD

De informatie op Menselijk Lichaam is géén medisch advies. Neem bij twijfel over gezondheid, behandeling of medicijnen altijd contact op met een arts, specialist of apotheker.

Meer informatie

Meld je aan voor de nieuwsbrief

Met het laatste nieuws en gezonde tips